Twee jaar gevangenisstraf en beroepsverbod voor fraude met HIR

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in verschillende periodes belastingfraude heeft gepleegd, waaronder het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting alsmede valsheid in geschrift.

De Rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude met betrekking tot drie vennootschappen waarbij steeds sprake was van een ten onrechte opgevoerde herinvesteringsreserve (HIR). Het gevolg daarvan is geweest dat er te weinig belasting werd geheven bij verdachte en bij de vennootschappen waarvoor verdachte feitelijk verantwoordelijk was.

Het totale benadelingsbedrag van de bewezen verklaarde feiten is € 947.523. De Rechtbank overweegt dat daar in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden bij hoort. De Rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van strafverzwarende of -verlagende omstandigheden.

Uit door het Openbaar Ministerie verstrekte gegevens blijkt dat een deel van het veroorzaakte nadeel ongedaan is gemaakt. Ruim € 600.000 is ingevorderd bij een voormalig aandeelhouder. Hoewel het ongedaan maken van het veroorzaakte nadeel in beginsel een strafverlagende omstandigheid is, vindt de Rechtbank dat in dit geval niet. Daarvoor is van belang dat het nadeel niet door of namens verdachte ongedaan is gemaakt. Bij het feit waarbij de belastingplicht op verdachte als natuurlijk persoon rust is in het geheel geen sprake van het ongedaan maken van het nadeel.

De (forse) overschrijding van de redelijke termijn van 2,5 jaar neemt de Rechtbank als een strafverlagende factor mee. De Rechtbank vindt de strafverzwarende en -verlagende omstandigheden tegen elkaar opwegen en komt uit op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.

Daarnaast ziet de Rechtbank aanleiding een beroepsverbod aan verdachte op te leggen, in die zin dat verdachte het beroep van statutair- of feitelijk bestuurder van rechtspersonen niet mag uitoefenen voor de duur van 5 jaren. Daarvoor is van belang dat verdachte zich als bestuurder van verschillende rechtspersonen schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrift en dat verdachte ook al eerder is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen voor dit soort feiten. Kennelijk waren die eerdere straffen onvoldoende om verdachte ervan te weerhouden zich weer schuldig te maken aan fraude.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:9378