Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet geschonden

Belanghebbende heeft op 20 november 2013 aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de registratie van een personenauto afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie. Het in de aangifte opgenomen bedrag aan BPM is door belanghebbende berekend op € 2.939,-. De behandelend Inspecteur heeft echter naar aanleiding van deze aangifte aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 578,-. Partijen zijn overeengekomen dat ingeval de door belanghebbende aangevoerde grieven niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag kunnen leiden, de betreffende naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 201.

De eerste grief van belanghebbende luidt dat het verdedigingsbeginsel is geschonden aangezien belanghebbende voorafgaand aan de oplegging van de naheffingsaanslag niet mondeling door de Inspecteur is gehoord. Daarnaast klaagt belanghebbende dat het opleggen van een naheffingsaanslag nadat een belastbaar feit zich heeft voorgedaan, in strijd is met artikel 110 VWEU.

Het Hof overweegt inzake de eerste klacht van belanghebbende dat het feit dat belanghebbende niet is uitgenodigd voor een mondeling onderhoud, geen schending van het verdedigingsbeginsel oplevert. Dit beginsel heeft immers ten doel dat een belanghebbende als adressant van een besluit, in de gelegenheid wordt gesteld opmerkingen te maken omtrent het door de Inspecteur kenbaar gemaakte voornemen. Het Hof is van mening dat de Inspecteur daaraan heeft voldaan door toezending van de vooraankondiging naheffingsaanslag aan belanghebbende, waarin aan belanghebbende de gelegenheid is geboden om te reageren vóór 25 februari 2014.

Met betrekking tot de tweede klacht verwerpt het Hof de stellingname van belanghebbende luidende dat nimmer kan worden nageheven nadat een belastbaar feit zich heeft voorgedaan, eenvoudigweg door middel van een verwijzing naar de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Immers, de bevoegdheid tot naheffing van te weinig betaalde BPM bestaat tot vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan ex artikel 20 AWR.

De slotsom luidt dat het hoger beroep gegrond is en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar een bedrag van € 201.

Hof ’s-Hertogenbosch 17 augustus 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3642.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:3642