Verdachte krijgt voordeel van de twijfel ten aanzien van niet opgegeven Amerikaanse rekening van $ 5.000.000

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2007 tot en met 2015.

De Officier van Justitie vindt dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Verdachte is een man die lange tijd op goede posities, vaak in het buitenland, heeft gewerkt bij het bedrijf Philip Morris. De Belastingdienst heeft in 2016 uit Amerika financiële gegevens ontvangen over verdachte. Verdachte bleek daar 2 rekeningen te hebben: de ene rekening vertegenwoordigde een waarde van ongeveer $ 800.000 en de andere ongeveer $ 5.000.000.

De politierechter is van oordeel dat verdachte heeft bekend dat hij de Amerikaanse rekening van $ 800.000 niet heeft aangegeven bij de Belastingdienst. Hij heeft het administratiekantoor, dat normaal gesproken zijn aangiften inkomstenbelasting voor hem doet, bewust niet ingelicht over die rekening. Dit heeft tot gevolg gehad dat ook de Belastingdienst niet van het bestaan van deze rekening wist en er daarom te weinig belasting is geheven bij verdachte. Uit het dossier blijkt dat deze rekening vanaf 2009 een bepaalde waarde vertegenwoordigde, daarvoor stond er niks op. De politierechter acht bewezen dat verdachte opzettelijk onvolledige aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2009 tot en met 2015 heeft laten doen.

De politierechter acht niet bewezen dat verdachte opzettelijk de rekening met een waarde van ongeveer $ 5.000.000 niet heeft opgegeven aan de Belastingdienst. Er bevindt zich in het dossier geen bewijs dat verdachte dit willens en wetens heeft nagelaten. Het enkele feit dat een belastingaangifte onjuist of onvolledig is, brengt namelijk nog niet mee dat verdachte daarop van meet af aan opzet heeft gehad. Dit betekent dat concreet bewijs voor opzet moet worden geleverd. Verdachte heeft op zitting uitgelegd dat het geen ‘gewone’ rekening betrof, maar een rekening waarop opties en eventuele aandelen staan, die volgens hem door zijn voormalig werkgever is geopend. Daarnaast heeft verdachte uiteengezet dat hij in de jaren rondom zijn pensionering in 2006 zware jaren heeft gehad en ten gevolge daarvan wellicht die rekening is vergeten. Verdachte maakte een geloofwaardige indruk met zijn verhaal. Verdachte heeft gesteld dat hij in de veronderstelling was dat hij de rekening die een waarde vertegenwoordigde van ongeveer $ 800.000 had opgegeven en dat toen mogelijk ook belasting is geheven over de andere rekening. In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit anders zou moeten blijken, wat betekent dat verdachte in dezen het voordeel van de twijfel krijgt. Verdachte wordt daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.

De politierechter veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:10058