Verdachte veroordeeld tot geldboete van € 10.000 en taakstraf voor niet opgeven betrokkenheid bij een SPF in de belastingaangifte

Nadat door ABN AMRO aangifte was gedaan van oplichting heeft onderzoek uitgewezen dat verdachte economisch eigenaar of begunstigde was van een Nederlands Antilliaanse Stichting Particulier Fonds. Deze stichting was door middel van belangen in een aantal ondernemingen eigenaar van vastgoed.

De helft van de aandelen die door de stichting werden gehouden, is met winst verkocht. Vast staat dat verdachte noch van zijn betrokkenheid bij de stichting noch van het op die aandelentransactie behaalde resultaat aangifte heeft gedaan voor de inkomstenbelasting. In het aangifteformulier wordt geïnformeerd naar betrokkenheid bij een trustvermogen of een daarmee te vergelijken doelvermogen, zoals een dergelijke stichting en wordt erop gewezen dat als daarvan sprake is dat het desbetreffende hokje moet worden aangekruist. Verdachte heeft dit verzuimd.

Naar het oordeel van de Rechtbank is de stichting transparant en kon verdachte over het inkomen en vermogen van de stichting beschikken als ware dat eigen inkomen en vermogen. De Rechtbank overweegt voorts dat verdachte het vakje waarmee hij kenbaar kon maken dat als hij als achterligger betrokken was bij een trust of een ander doelvermogen naar buitenlands recht had moeten aankruisen. Verdachte had dit uit de vraagstelling en de toelichting daarop ook moeten begrijpen. De omstandigheid dat verdachte geen bestuurder van de stichting is, kan naar het oordeel van de Rechtbank niet tot een ander oordeel leiden. Ook had verdachte de winst van de verkoop van de aandelen op moeten geven in box II als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang.

De Belastingdienst heeft het fiscale nadeel berekend op € 42.062. De Rechtbank veroordeelt verdachte voor het doen van onjuiste aangifte inkomstenbelasting en veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 uren en een geldboete van € 10.000.

Rechtbank Gelderland, 1 maart 2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2016:1111