Vergrijpboete bij omkering van bewijslast wegens jarenlang niet opgeven van inkomsten uit hennephandel

Belanghebbende heeft al jaren (2006 tot 2013) geen aangifte inkomstenbelasting gedaan. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat belanghebbende in die jaren inkomsten uit hennephandel heeft gehad. Naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek heeft de inspecteur het inkomen van belanghebbende geschat en hem een navorderingsaanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2013 opgelegd en een vergrijpboete. Wegens het niet doen van de vereiste aangifte is de bewijslast omgekeerd. In bezwaar is de navorderingsaanslag verminderd naar een bedrag van € 227.810 en de vergrijpboete naar € 46.386.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende willens en wetens informatie heeft achtergehouden. Hierdoor is geen juiste aanslag inkomstenbelasting vastgesteld. Belanghebbende heeft geen expliciete gronden aangevoerd tegen de vergrijpboete.

De Rechtbank overweegt ten aanzien van de vergrijpboete dat belanghebbende het standpunt van de inspecteur niet betwist. De inspecteur heeft daarentegen toegelicht dat belanghebbende meerdere jaren heeft verzuimd aangifte te doen. Vlak voor het opleggen van de navorderingsaanslag is nog een aangiftebiljet voor 2013 ingediend maar daarin is alleen een eigenwoningschuld aangegeven. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor zijn financiële positie en heeft inkomsten uit hennephandel genoten, aldus de Rechtbank. Zodoende is de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende opzettelijk geen correcte aangifte heeft gedaan.

Wat betreft de omvang van de vergrijpboete is de Rechtbank van oordeel dat ondanks de omkering van de bewijslast, die het risico kan meebrengen dat het belastbaar inkomen te hoog wordt vastgesteld, de boete niet naar een te hoog bedrag is ingeschat. De inspecteur heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat belanghebbende hoogstwaarschijnlijk meer inkomsten heeft genoten dan waarvan is uitgegaan bij het opleggen van de aanslag.

De Rechtbank stelt de aanslag € 1.414 lager vast en vermindert de vergrijpboete dienovereenkomstig. Daarnaast wordt de boete nog verlaagd met 20% vanwege overschrijding van de redelijke termijn (€ 9.204). De vergrijpboete bedraagt na vermindering € 36.815. De Rechtbank acht deze boete passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:3133