Vergrijpboete coffeeshopeigenaar naar aanleiding van aanslag op basis van zichtwaarnemingen en waarnemingen ter plaatse

Belanghebbende exploiteerde vanaf 2009 een coffeeshop. Bij een boekenonderzoek en aan de hand van zichtwaarnemingen en waarnemingen ter plaatse in 2014 en 2015 is geconstateerd dat slechts ongeveer 25% van de werkelijke omzet in de administratie werd verantwoord. Bij het opleggen van de aanslag over 2011 verhoogt de Inspecteur daarom de aangegeven winst en legt hij een vergrijpboete van ÔéČ 165.115 op.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de boetebeschikking deels vernietigd.

Het Hof oordeelt dat omkering en verzwaring van de bewijslast moet worden toegepast omdat de vereiste aangifte niet is gedaan. Belanghebbende heeft in zijn aangifte zelfstandigenaftrek geclaimd terwijl zijn adviseur wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een zowel absoluut als relatief aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.

Het Hof oordeelt verder dat de berekende omzetcorrectie niet onredelijk of willekeurig is. Uit rapporten van diverse bedrijfsbezoeken blijkt dat de relevante omstandigheden in de bedrijfsvoering van de coffeeshop in de loop der jaren niet (noemenswaardig) zijn veranderd en de inspecteur heeft de correctie met de uitkomsten van de zichtwaarnemingen en waarnemingen ter plaatse in 2014 en 2015 dan ook voldoende onderbouwd.

Het vorenstaande brengt het Hof tot het oordeel dat de aanslag, zoals die luidt na de uitspraak van de Rechtbank, terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

Tegen de boete, voor zover die door de Rechtbank in stand is gelaten, zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Naar het oordeel van het Hof is de boete, zoals verminderd door de Rechtbank, gelet op de omstandigheden van het geval, passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:3245