Vergrijpboete omdat belanghebbende uitkeringen aangeeft in België terwijl hij weet dat heffingsrecht toekomt aan Nederland

Belanghebbende, woonachtig in België, ontvangt uitkeringen van een in Nederland gevestigde (pensioen)BV waarvan hij 100% aandeelhouder is. Het vermogen in de BV is opgebouwd ten laste van de door een Nederlandse vennootschap behaalde fiscale winst. Op grond van een oude regeling in de Wet Loonbelasting krijgt belanghebbende in 1995 goedkeuring van de inspecteur dat geen loonbelasting en premie volksverzekeringen wordt ingehouden op de uitkering uit de (pensioen) BV. Het exclusieve heffingsrecht komt aan België toe. Door een wetsaanpassing is deze regeling vanaf juni 2004 gedateerd.  Belanghebbende vult echter tot ver daarna in het aangiftebiljet voor buitenlands belastingplichtigen in dat het exclusieve heffingsrecht aan België toebehoort. De inspecteur volgt jaren de nihilaangiften van belanghebbende. Na nieuwe inlichtingen vanuit de Belgische autoriteiten blijkt dat de pensioenuitkeringen in België niet als zodanig zijn aangemerkt waardoor er slechts een geringe heffing heeft plaatsgevonden in België. Naar aanleiding hiervan legt de inspecteur  voor de jaren 2012, 2013 en 2014 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en  vergrijpboetes op.

In geschil is of de navorderingsaanslagen en de boetes terecht en voor de juiste bedragen zijn vastgelegd.

Allereerst oordeelt de Rechtbank over de vraag of er sprake is van een nieuw feit zoals bedoeld in artikel 16 Awr. Belanghebbende beweert dat de inspecteur behoorde te weten hoe het pensioen in België in de heffing werd betrokken. De rechtbank komt echter tot de conclusie dat de aangiften van belanghebbende dusdanig zorgvuldig oogde dat de inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan door geen vragen te stellen. Hierbij kent de Rechtbank waarde toe aan het feit dat de hoofdregel meebrengt dat pensioen in principe in de woonstaat (België) wordt belast en dat er een directe aanwijzing van de Belgische autoriteiten aan de navordering ten grondslag lag.

Daarnaast beoordeelt de Rechtbank in hoeverre belanghebbende vertrouwen mocht ontlenen aan eventuele uitlatingen van Belgische belastingambtenaren, de oude regeling, dan wel het volgen van de belastingaangiften. Voor deze omstandigheden geldt niet dat belanghebbende er vanuit kon gaan dat de (Nederlandse) inspecteur daadwerkelijk van de concrete situatie omtrent de pensioenuitkering op de hoogte is geweest.

Vervolgens buigt de Rechtbank zich over de mate van het laakbaar handelen. De Rechtbank merkt op dat belanghebbende in de aangiften nadrukkelijk het standpunt inneemt dat het heffingsrecht aan België toekomt, terwijl het verdrag (tussen België en Nederland) de heffing toekent aan Nederland. Hierbij neemt de Rechtbank in het bijzonder mee dat belanghebbende veelvuldig met de inspecteur en ander bestuursorganen over de kwestie heeft gecommuniceerd. Er is meerdere malen en vrij recent nog over geprocedeerd. Het ligt daardoor voor de hand dat belanghebbende zich goed in de materie heeft verdiept, aldus de Rechtbank. Daarmee is volgens de Rechtbank een vergrijpboete van 25% op basis van grove schuld gerechtvaardigd.

Tenslotte neemt de Rechtbank de jaren waarin belanghebbende, naar het blijkt ten onrechte een lage verschuldigde belasting heeft genoten, mee in de afweging of de belastingrente een buitensporige last ex. artikel 1 Eerste Protocol vormt. Dit brengt mee dat van een dergelijke last geen sprake is.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:6113