Vergrijpboete van 20% voor escortbureau met gebrekkige administratie

De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd en een vergrijpboete van 35%, zijnde een bedrag van € 17.529.

Belanghebbende exploiteert een escortbureau, webcamdiensten, stripteaseshows en een limousineservice in de seksbranche. De inspecteur stelt dat de administratie van belanghebbende ernstige materiële gebreken vertoont en dat uit de theoretische omzetberekening blijkt dat belanghebbende doelbewust te weinig omzetbelasting heeft afgedragen. Omdat in verband met de naheffingsaanslagen in de loon- en inkomstenbelasting tevens een boete wordt opgelegd, brengt een redelijke straftoemeting mee dat een vergrijpboete bij de omzetbelasting wordt gematigd tot 25%.

De bevindingen betreffende de administratie en de theoretische omzetberekening rechtvaardigen naar het oordeel van de Rechtbank de conclusie dat het ten minste aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig omzetbelasting is afgedragen. Het standpunt van belanghebbende dat er geen sprake is van een dienstbetrekking en er om die reden wellicht sprake is van een pleitbaar standpunt, doet daar naar het oordeel van de Rechtbank niet aan af. Van afwezigheid van alle schuld is naar het oordeel van de Rechtbank evenmin sprake. In verband met de vereisten van een redelijke straftoemeting, de samenhang met de overige boetes die zijn opgelegd en het feit dat de aanslagen zijn vastgesteld met omkering van de bewijslast acht de Rechtbank een boete van 25% passend en geboden. De inspecteur heeft de boetes in zoverre reeds gematigd na bezwaar.

Belanghebbende heeft verder volgens de Rechtbank onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een slechte financiële situatie die noopt tot een verdere matiging van de boete. De Rechtbank ziet – in de overschrijding van de redelijke termijn met drie jaar – wel aanleiding de boete (verder) te matigen tot 20%.

Rechtbank Noord-Holland 15 september 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:7654

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:7654