Vergrijpboete van 25% wegens het laten storten van een schadevergoeding toekomend aan een BV op een aan belanghebbende gelieerde Limited

Belanghebbende is in 2013 enig aandeelhouder van een vennootschap geworden. Deze BV is in 1999 met een stichting een samenwerkingsverband aangegaan. De samenwerking is in 2001 beëindigd. Wegens schending van het concurrentiebeding wordt bij vonnis in 2012 aan de BV een schadevergoeding van € 1.511.970,35 toegekend. Een maand nadat de aandelen van de BV in 2013 aan belanghebbende zijn geleverd, is een Limited opgericht waarvan belanghebbende en een derde directeur zijn geworden. In 2013 heeft de stichting de schadevergoeding van € 1.511.970 overgemaakt naar de deurwaarder en deze heeft, na aftrek kosten deurwaarder, dit bedrag overgemaakt naar de bankrekening van de Limited. In de jaarrekening van de BV is dit bedrag niet vermeld en overigens is niet gemeld dat schulden zijn afgelost.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd naar een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.509.844 alsmede een vergrijpboete van 50% wegens het opzettelijk niet aangeven van een winstuitdeling. In geschil zijn de aanslag en de vergrijpboete.

De Rechtbank is van oordeel dat de betaling van € 1.511.970 namens de BV aan de Limited geen zakelijke grondslag heeft maar enkel is gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoefte van belanghebbende. Belanghebbende had zich er van bewust moeten zijn dat hij in de hoedanigheid van aandeelhouder werd bevoordeeld. De Rechtbank beslist op grond hiervan dat sprake is van een winstuitdeling van de BV aan belanghebbende. Dat betekent dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd en het beroep in zoverre ongegrond is.

Volgens de Rechtbank heeft de inspecteur niet voldaan aan de primaire bewijslast van het opleggen van een vergrijpboete. De inspecteur heeft slechts de feitelijke gang van zaken weergegeven, te weten dat de belanghebbende aan de deurwaarder heeft verzocht het bedrag te laten storten op de bankrekening van de Limited. Dit is onvoldoende om aan te tonen dat de wil van belanghebbende er op was gericht dat te weinig belasting zou worden geheven. Er is dus geen sprake van opzet, en de inspecteur heeft daarom ten onrechte een boete van 50% opgelegd. Wel blijkt uit de feitelijke gang van zaken dat belanghebbende  zich redelijkerwijs had moeten of kunnen realiseren dat zijn handelwijze fiscale gevolgen in het leven zou roepen. Dat vormt volgens de Rechtbank grove schuld waarvoor een vergrijpboete van 25% passend en geboden is.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:3850