Vergrijpboete van belanghebbende aanzienlijk verminderd vanwege schending van het gelijkheidsbeginsel

Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd alsmede een vergrijpboete van 300%.

Belanghebbende heeft een rekening gehad in Luxemburg. Het saldo op deze rekening bedroeg enkele miljoenen en werd niet opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur heeft om die reden een vergrijpboete van 300% opgelegd.

Het Hof is – samen met de Rechtbank – van oordeel dat belanghebbende een rekening in het buitenland aanhield met een aanzienlijk saldo en dat zij ter zake van die rekening niets in haar aangifte inkomstenbelasting heeft opgegeven. Nu het van algemene bekendheid is dat dergelijke banksaldi moeten worden aangegeven als vermogen, is het aan opzet te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. De vergrijpboete is dan ook terecht opgelegd.

Ten aanzien van de hoogte van de vergrijpboete stelt het Hof vast dat belanghebbende en haar zoon gelijktijdig aangifte inkomstenbelasting hebben gedaan. Aan beiden is eveneens gelijktijdig een vergrijpboete opgelegd ter zake van verzwegen inkomsten. Aan de zoon is echter aanvankelijk 100% boete opgelegd en aan belanghebbende 300%. Nadien heeft de inspecteur zich in de procedure voor de Rechtbank op het standpunt gesteld dat – wegens het meewerken in de beroepsfase alsook overschrijding van de redelijke termijn – de aan de zoon opgelegde boete dient te worden verminderd tot 72% en de aan belanghebbende opgelegde boete tot 216 %. De inspecteur heeft – desgevraagd – ter zitting geen duidelijkheid kunnen geven over het grote verschil in de beboeting, terwijl van hetzelfde uitgangspunt is uitgegaan.

Naar het oordeel van het Hof zal de vergrijpboete van belanghebbende moeten worden verlaagd. Het Hof acht de aldus verminderde vergrijpboete passend en geboden.

Gerechtshof Den Haag 16 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3425

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:3425