Vergrijpboete van € 4.000 voor ten onrechte toepassen van stamrechtvrijstelling

Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd voor het jaar 2012. Daarbij is tevens een vergrijpboete van € 8.086 opgelegd. In geschil is onder meer of de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag een vergrijpboete aan belanghebbende heeft opgelegd.

De inspecteur heeft een vergrijpboete van 25% opgelegd wegens grove schuld aan de zijde van belanghebbende. De inspecteur is van mening dat belanghebbende had kunnen en moeten weten dat met het oprichten van een BV alleen, niet aan de voorwaarden voor de stamrechtvrijstelling is voldaan en dat de stamrechtvrijstelling dus niet had mogen worden toegepast. De inspecteur heeft de vergrijpboete na bezwaar verminderd tot € 4.000.

Belanghebbende is van oordeel dat de boete disproportioneel hoog is en dat de inspecteur eerder had moeten reageren, zodat belanghebbende alles had kunnen terugdraaien. Ook brengt belanghebbende naar voren dat de Belastingdienst nergens heeft aangegeven dat de stamrechtvrijstelling een complex product is waarvoor hij een belastingadviseur nodig zou hebben.

De Rechtbank is van oordeel dat sprake is van grove schuld aan de zijde van belanghebbende. Belanghebbende was op de hoogte van de voorwaarden voor de toepassing van de stamrechtvrijstelling. Toen belanghebbende een bedrag van de bankrekening van de stamrechtvennootschap overmaakte naar zijn privérekening (€ 62.207), had hij naar het oordeel van de Rechtbank kunnen en moeten begrijpen dat een dergelijke handelwijze niet in overeenstemming is met de voorwaarden. Dit geldt ook als een belastingplichtige niet fiscaal deskundig is en sprake is van een redelijk complexe regeling met specifieke voorwaarden.

Daarbij komt dat het de Rechtbank niet is gebleken dat belanghebbende op een andere manier een begin heeft gemaakt met het naleven van de voorwaarden. Belanghebbende heeft namelijk ook geen stramrechtovereenkomst afgesloten met de BV. Daardoor volgt nergens uit dat de BV uiterlijk in het jaar waarin belanghebbende 65 wordt periodieke uitkeringen zal gaan verstrekken. Het betoog van belanghebbende dat de inspecteur eerder had moeten reageren zodat hij alles kon terugdraaien slaagt niet volgens de Rechtbank, omdat de overschrijving vanaf de zakelijke rekening van de BV naar de privérekening van belanghebbende geen handeling is die achteraf kan worden teruggedraaid. Bij de beoordeling of het boetebedrag van € 4.000 passend en geboden is, houdt de Rechtbank rekening met het feit dat belanghebbende niet fiscaal deskundig is, dat het bedrag van € 62.207 beschikbaar is gebleven en dat belanghebbende de opname van dat bedrag niet in zijn aangiften inkomstenbelasting of de aangiften vennootschapsbelasting van de BV heeft verborgen. Desalniettemin acht de Rechtbank een vergrijpboete van € 4.000 gelet op de omstandigheden passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:148