Vergrijpboete voor aandeelhouder die pand voor te hoge waarde aan eigen BV verkocht

Een tot het privévermogen behorend pand wordt aan de eigen BV verkocht. Om die reden heeft de inspecteur een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting opgelegd en een boete opgelegd van € 14.062.

Het Hof is van oordeel dat het pand voor een te hoge prijs is verkocht aan de BV en dat de BV en belanghebbende zich daarvan bewust moeten zijn geweest. Immers is het perceel verkocht voor een prijs die aanzienlijk uitgaat boven de waarde van het perceel op de verkoopdatum, met als gevolg dat de verkoop heeft geleid tot een vermogensverschuiving van de BV naar de aandeelhouders.

Het Hof is van oordeel dat vaststaat dat belanghebbende een aangifte en later een herziene aangifte inkomstenbelasting heeft ingediend zonder daarin een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang aan te geven, terwijl zij zich bewust was van de bevoordeling als gevolg van de verkoop van het perceel aan de BV tegen een te hoge prijs.

Dit brengt tevens mee dat belanghebbende bij het doen van de aangifte bewust en in strijd met de werkelijkheid niet heeft vermeld dat het uit deze transactie voortvloeiende voordeel haar gedeeltelijk ten goede is gekomen. Daarmee heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. De omstandigheid dat de aangifte is verzorgd door haar vader, die werkt voor een administratie- en belastingadvieskantoor, brengt hierin geen verandering. Hierbij is van belang dat uit de stukken blijkt dat de aangiften, voordat deze worden ingediend, met belanghebbende worden besproken. De inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof terecht een boete van 50% opgelegd.

Belanghebbende meent verder vast te stellen dat de Rechtbank heeft geconcludeerd dat sprake is van een pleitbaar standpunt en dat om die reden geen boete kan worden opgelegd. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. De Rechtbank heeft geoordeeld dat met de verkoop van het perceel aan de BV geen sprake was van een bewuste bevoordeling van de aandeelhouders. Op grond van een andere waardering van het bijgebrachte bewijs komt het Hof tot het oordeel dat wél sprake is geweest van een bewuste bevoordeling en, door daarvan geen melding te maken in de aangifte, het beboetbare feit zich heeft voorgedaan.

Feiten en omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot matiging van de boete wegens een wanverhouding tussen de boete en het beboetbare feit, zijn gesteld noch gebleken.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:2542