Vergrijpboete voor autohandelaar die naar het oordeel van de Rechtbank wist dat het taxatierapport aanzienlijk te laag was vastgesteld

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd alsmede een vergrijpboete van € 620. In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht is opgelegd.

Belanghebbende heeft aangifte BPM voldaan voor een personenauto. Hierbij is voor de waarde van de auto gebruikgemaakt van een taxatierapport en een schadebedrag van € 20.743. De inspecteur is uitgegaan van de handelsinkoopwaarde en een schadebedrag van € 12.000. Om die reden heeft de inspecteur nageheven en een vergrijpboete van 50% opgelegd gebaseerd op opzet.

De Rechtbank overweegt dat in beginsel geldt dat, indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur, hij niet hoeft te twijfelen aan diens oordeel en dat hij zich niet persoonlijk in de inhoudelijke aspecten van de op hem toepasselijke belastingregelingen hoeft te verdiepen. Wel mag van een belastingplichtige worden verwacht dat hij de feiten en omstandigheden en aannames die ten grondslag liggen aan het advies controleert. Deze controle beperkt zich naar het oordeel van de Rechtbank in beginsel tot feitelijke aangelegenheden, waarbij inhoudelijke kwalificaties worden uitgesloten.

Belanghebbende heeft, gezien zijn hoedanigheid van professioneel autohandelaar, zelf inzicht in handelsinkoopwaarden op de Nederlandse markt, hetgeen naar het oordeel van de Rechtbank een feitelijke aangelegenheid is. Naar het oordeel van de Rechtbank kan het om die reden niet anders zijn dan dat belanghebbende wist dat de in het taxatierapport vermelde handelsinkoopwaarde aanzienlijk te laag was. Dit oordeel wordt nog verstrekt door het feit dat belanghebbende als professioneel handelaar bereid was meer dan vier maal zoveel voor de auto te betalen.

Belanghebbende moet zich er bij het doen van aangifte ook bewust van zijn geweest dat de hoogte van de belasting is gerelateerd aan de waarde van de auto. Gelet hierop is de Rechtbank van oordeel dat bij belanghebbende de wetenschap aanwezig was dat de aanmerkelijke kans bestond dat de door hem ingediende aangifte onjuist zou zijn en dat hij deze aanmerkelijke kans bovendien heeft aanvaard. De boete wordt door de Rechtbank wel verlaagd in verband met de verlaging van de boetegrondslag.

Rechtbank Gelderland 21 december 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:6726

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2016:6726