Vergrijpboete voor belanghebbende die nog in “de handel’’ zit om schuld bij justitie af te lossen

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2009 en 2010 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Gelijktijdig zijn daarbij vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 3.700 en € 2.943.

Naar aanleiding van een bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek is een vermogensvergelijking opgesteld. Op basis van deze vermogensvergelijking en cijfers van het Nibud, trekt de inspecteur de conclusie dat belanghebbende over de jaren 2009 en 2010 inkomsten ter hoogte van respectievelijk € 35.953 en € 25.365 heeft verzwegen. Belanghebbende zou – blijkens het controlerapport – hebben verklaard dat hij nog steeds in de “handel’’ zou zitten om zijn schuld bij justitie af te lossen. Zijn “handel’’ zou bestaan uit het kopen en verkopen van hennep.

Uit onder meer die verklaring van belanghebbende leidt de inspecteur af dat aan de zijde van belanghebbende opzet aanwezig is en is de inspecteur overgegaan tot het opleggen van vergrijpboetes. In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende in de jaren 2009 en 2010 inkomsten uit de hennephandel heeft genoten, welke ten onrechte niet in de aangiften zijn verantwoord. Belanghebbende heeft bij het invullen van voornoemde aangiften gebruik gemaakt van professionele bijstand. Aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende de inkomsten uit de hennephandel op advies van zijn adviseur niet heeft aangegeven, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende de adviseur niet op de hoogte heeft gebracht van de genoten inkomsten uit de hennephandel.

Het niet in de aangiften verantwoorden van deze inkomsten is naar het oordeel van het Hof naar zijn aard opzettelijk geschied en erop gericht dat de aanslagen tot een te laag bedrag zullen worden vastgesteld. Belanghebbende dient zich door het niet vermelden van deze inkomsten aan zijn adviseur ervan bewust te zijn geweest dat de ingediende aangiften in geen geval juist konden zijn. Gelet op de ernst van de vergrijpen acht het Hof om die reden een vergrijpboete van 50% in beginsel passend en geboden.

Het Hof matigt de boetes over de jaren 2009 en 2010 wel tot respectievelijk € 3.330 en € 2.246,40 gelet op de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:2920