Vergrijpboete voor bouwondernemer wordt uiteindelijk verminderd met een ton

Belanghebbende is eigenaar van een onderneming die bouwactiviteiten verricht. Tijdens onderzoeken die zijn uitgevoerd door de Belastingdienst is gebleken dat belanghebbende ten onrechte privé-uitgaven als zakelijke kosten heeft geboekt in de administratie van zijn onderneming. Verder zou sprake zijn van een zeer slordige administratie. De inspecteur heeft de bedragen aan ‘privé-uitgaven’ gecorrigeerd, een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, alsmede een vergrijpboete van € 140.413, zijnde 50% van het belastingnadeel. In geschil is onder meer de vraag of de vergrijpboete terecht is opgelegd.

Volgens de inspecteur is de administratie van belanghebbende onvolledig, onjuist, zeer chaotisch en nauwelijks controleerbaar. Belanghebbende heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden betaald.

Het Hof is – net als de Rechtbank – van oordeel dat de inspecteur erin is geslaagd om te bewijzen dat belanghebbende (voorwaardelijk) opzet heeft gehad. Belanghebbende heeft nog een beroep gedaan op art. 6 EVRM, omdat zijn zwijgrecht zou zijn geschonden. Het Hof merkt hierover op dat dit geen gevolgen heeft voor de rechtsgeldigheid van de boetebeschikking. Het bewijs ter zake van de aanwezigheid van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van belanghebbende, is naar het oordeel van het Hof gebaseerd op wilsonafhankelijk materiaal.

De Rechtbank heeft een boete van € 90.000 passend en geboden geacht. Nu het Hof de navorderingsaanslag (verder heeft) verminderd, matigt het Hof de boete verder tot € 50.000. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn wordt de boete door het Hof verder verminderd tot € 40.000.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 april 2016 ECLI:NL:GHARL:2016:3129

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:3129