Vergrijpboete voor medewerker advieskantoor wegens medeplegen van het opzettelijk niet tijdig indienen van suppleties voor de omzetbelasting

Belanghebbende is werkzaam bij een advieskantoor. Een van de klanten van het kantoor was een VOF. De Belastingdienst heeft een boekenonderzoek ingesteld bij de VOF. Daaruit bleek dat in 2011 nihilaangiften omzetbelasting zijn gedaan over de maanden januari tot en met mei, augustus en oktober tot en met december. In 2012 zijn nihilaangiften gedaan over de maanden januari, februari en april tot en met december. Voorts bleek tijdens het onderzoek dat de VOF volgens de jaarstukken nog aanzienlijke bedragen aan omzetbelasting verschuldigd was: over 2011 € 21.110 en over het jaar 2012 € 24.210. De inspecteur heeft over de jaren 2011 en 2012 aan de VOF een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 45.320 en een vergrijpboete. Aan belanghebbende is separaat een vergrijpboete opgelegd.

In geschil is of de vergrijpboete terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Het Hof stelt voorop dat aan het opleggen van een boete wegens het niet doen van een suppletieaangifte niet in de weg staat dat de onjuiste aangiften omzetbelasting op grond waarvan te weinig belasting is betaald, zijn gedaan vóór 1 januari 2012 (de datum waarop art. 10a AWR in werking is getreden), ook niet indien de betrokkene(n) al vóór die datum wist(en) dat die aangiften onjuist wa(s)ren. Beboet wordt immers niet een gedraging verricht vóór de inwerkingtreding van art. 10a AWR maar het niet melden van de onjuistheid daarvan, nadat daartoe een wettelijke verplichting is gecreëerd.

De verklaringen van belanghebbende zelf en van de vennoot van de VOF laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende en de belastingplichtige wisten dat ten onrechte nihilaangiften werden gedaan, dat hiertoe in onderling overleg is overgegaan en dat er voorts opzettelijk van werd afgezien suppletieaangiften in te dienen, hoewel uit de jaarstukken overduidelijk bleek dat onvoldoende omzetbelasting op aangifte was voldaan. Hoewel belanghebbende wist dat suppletieaangiften moesten worden gedaan, en het indienen van dergelijke aangiften blijkens het verhoor tot zijn taak behoorde, heeft hij geen suppletieaangiften ingediend en zich evenmin teruggetrokken toen bleek dat de vennoot van de VOF niet wilde dat suppletieaangiften werden gedaan. Integendeel, hij is werkzaamheden voor de VOF blijven verrichten. Alsdan is sprake van een bewuste en nauwe samenwerking van belanghebbende en de belastingplichtige (de VOF) bij het begaan van het vergrijp.

De opgelegde boete van € 1.250 acht het Hof op zichzelf passend en geboden. De behandeling van het hoger heeft echter meer dan 2 jaar in beslag genomen. Het Hof vindt daarin ambtshalve aanleiding de boete met 5% (€ 63) te minderen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:803