Vergrijpboete voor ondernemer die niet kan aantonen dat goederen Nederland hebben verlaten

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 29.151 met een vergrijpboete van € 12.955. In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De activiteiten van belanghebbende bestaan onder meer uit de in- en verkoop van meubelen. Belanghebbende heeft met betrekking tot verkochte meubels aan een in België gevestigde afnemer geen omzetbelasting in rekening gebracht. De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld waaruit is gebleken dat niet duidelijk is geworden wie de vervoerder is geweest en hoe de uitvoerprocedure is geweest, er geen bescheiden zijn aangetroffen waaruit zou kunnen blijken dat de goederen het land hebben verlaten, en de levering naar het buitenland niet in de aangiften omzetbelasting is aangegeven. Verder kan belanghebbende een contante privé-storting van € 18.000 niet verklaren.

De inspecteur heeft in dat kader de omzet belast tegen het algemene tarief omdat niet is gebleken dat de goederen Nederland hebben verlaten. Nu ook niet is gebleken wat de herkomst is van de contante privé-storting, wordt ook deze storting belast als contante omzet.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zelf de zogenoemde nihilaangiften heeft opgesteld en heeft ingediend. Op basis van enkel een contantbon heeft belanghebbende daarbij aanspraak gemaakt op het tarief van nihil, hetgeen naar het oordeel van het Hof als grove onachtzaamheid zijdens belanghebbende kan worden aangemerkt. Bij dit oordeel speelt eveneens de omstandigheid mee dat geen sprake is van een vaste afnemer en het feit dat uit het boekenonderzoek is gebleken dat de kasadministratie van belanghebbende niet op orde was, terwijl er een groot aantal transacties werden verricht tegen betaling in contanten. Bij het administreren van de privéstorting had belanghebbende om die reden zorgvuldiger moeten handelen. Het Hof concludeert dat daarom sprake is van grove schuld, hetgeen aanleiding is voor een vergrijpboete van 25%.

De (inmiddels door de Rechtbank verminderde) vergrijpboete van € 2.155 is volgens het Hof in overeenstemming met de ernst van het vergrijp. Het Hof heeft hierbij ook in aanmerking genomen dat de aanslag met behulp van omkering en verzwaring van de bewijslast is komen vast te staan. Een slechte financiële positie van belanghebbende is niet gebleken, zodat bij de straftoemeting daarmee geen rekening wordt gehouden.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8971

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:8971