Vergrijpboete voor ten onrechte in aftrek nemen van scholingsuitgaven

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd alsmede een vergrijpboete van € 1.390.

Belanghebbende heeft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak gedreven. De activiteiten van de onderneming bestonden uit online handel, voornamelijk via marktplaats.nl, in dvd’s. Bij belanghebbende is door de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur correcties toegepast en een vergrijpboete opgelegd. De correcties hebben onder meer betrekking op de niet verkochte dvd’s. Belanghebbende heeft de ingekochte dvd’s, 949 stuks, ten laste van de winst gebracht. Echter heeft belanghebbende in zijn achteraf opgestelde administratie. waarin hij een resultaat becijfert van negatief € 4.763, geen rekening gehouden met de eindvoorraad niet verkochte dvd’s van 618 stuks. Verder zijn uitgaven voor studieboeken niet meegenomen als kosten voor de onderneming en heeft de inspecteur persoonsgebonden aftrek niet in aanmerking genomen. Tot slot heeft de inspecteur een bedrag van € 5.646 als inkomsten uit aanmerkelijk belang bij belanghebbende in aanmerking genomen.

Ten aanzien van de vergrijpboete stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld en dat dientengevolge te weinig belasting is geheven.

De Rechtbank is van oordeel dat de inkomsten als aanmerkelijk belang niet door de inspecteur aannemelijk zijn gemaakt en derhalve ten onrechte bij belanghebbende in aanmerking zijn genomen. De vergrijpboete – voor zover deze rust op de grondslag inzake het inkomen uit aanmerkelijk belang – dient derhalve in zoverre te vervallen. Nu de inspecteur ook afziet van de correctie inzake de persoonsgebonden aftrek, blijft de vraag over of de inspecteur het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende grofschuldig heeft gehandeld door de uitgaven voor scholingsuitgaven in aftrek te nemen.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de inspecteur dat bewijs geleverd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk kunnen maken of de kosten daadwerkelijk op hem drukken. Ondanks dat belanghebbende daarnaar is gevraagd heeft hij geen inzicht verstrekt in welke kosten wel en welke niet voor belanghebbende door een derde zijn vergoed.

Rechtbank Den Haag 22 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:16227

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:16227