Vergrijpboete wegens grove schuld omdat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat sprake is van export

Belanghebbende handelde in shampoos en aanverwante artikelen. Deze artikelen kocht hij met contant geld in bij drie leveranciers in Duitsland. Hiervoor werden afhaalverklaringen opgemaakt waarop stond vermeld dat belanghebbende de goederen naar Nederland brengt. De drie leveranciers hebben dit gelist als intracommunautaire levering en hebben 0% omzetbelasting in rekening gebracht. Belanghebbende heeft telkens nihilaangiftes gedaan en geen intracommunautaire verwerving aangegeven. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur naheffingsaanslagen voor de jaren 2012 en 2013 opgelegd alsmede vergrijpboetes van 25%, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op het 0%-tarief.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd.

Op grond van artikel 37e Wet omzetbelasting wordt een in Nederland wonende of gevestigde ondernemer geacht zijn leveringen in Nederland te verrichten, tenzij hij het tegendeel aantoont. Belanghebbende stelt dat hij de artikelen via België naar Libanon heeft geëxporteerd, waardoor hij recht heeft op 0%-tarief. Belanghebbende heeft verschillende stukken overgelegd ter onderbouwing. Dit betreffen verkoopfacturen, vrachtbrieven betreffende het vervoer van Duitsland naar België en invoerdocumenten voor Libanon. De inspecteur heeft de authenticiteit van deze stukken bestreden. De Rechtbank gaat hierin mee. De stelling van belanghebbende dat de goederen van Duitsland rechtstreeks naar België zijn vervoerd, wijkt af van de afhaalverklaringen over vervoer naar Nederland. Ook overigens heeft belanghebbende volgens de Rechtbank onvoldoende aangevoerd tegenover de door de inspecteur ingebrachte punten in verband met de authenticiteit (de ‘echtheid’) van de overgelegde stukken. De Rechtbank kent daarom aan de door belanghebbende overgelegde stukken geen bewijskracht toe.

Belanghebbende heeft volgens de Rechtbank al met al niet kunnen aantonen dat hij zijn leveringen buiten Nederland heeft verricht, zodat op grond van artikel 37e Wet omzetbelasting de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

De Rechtbank acht aannemelijk dat de leveringen in Nederland hebben plaatsgevonden en acht onaannemelijk dat sprake is van leveringen in Libanon. Daarmee is volgens de Rechtbank op zijn minst sprake van grove schuld en zijn de vergrijpboetes terecht opgelegd. Belanghebbende stelt tevergeefs dat de door hem ingehuurde accountant fouten heeft gemaakt en dat die fouten hem niet mogen worden aangerekend. Deze stelling gaat er volgens de Rechtbank van uit dat de goederen wel aan Libanese ondernemingen zijn geleverd, wat de Rechtbank onaannemelijk achtte.

De Rechtbank acht de vergrijpboetes van 25% passend en geboden. Deze worden nog wel gematigd met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn met 23 maanden.

 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:5627