Vergrijpboeten in hennepzaak door Rechtbank aanzienlijk gematigd

Belanghebbende huurde een woning waarin door de politie een in werking zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen bij een inval. Naar aanleiding daarvan zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd alsmede vergrijpboeten.

Belanghebbende ontkent bij de belastingrechter een hennepkwekerij te hebben geëxploiteerd en derhalve daaruit geen inkomsten te hebben genoten. Belanghebbende verzoekt primair om vernietiging van de aanslagen en vergrijpboeten.

Subsidiair stelt belanghebbende dat geen sprake is van een redelijke schatting en verzoekt de Rechtbank om de aanslagen te verminderen naar het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dat door de strafrechter reeds is vastgesteld. Ten aanzien van de vergrijpboeten verzoekt belanghebbende om matiging vanwege zijn financiële draagkracht.

De inspecteur stelt zich nader op het standpunt dat de schattingen te hoog zijn vastgesteld en verzoekt de Rechtbank om deze te verminderen en overeenkomstig ook de vergrijpboeten te verminderen.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de inspecteur – onder meer gelet op het feit dat de hennepkwekerij is aangetroffen in de door belanghebbende gehuurde woning en dat belanghebbende in dat verband onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld – aannemelijk gemaakt dat belanghebbende inkomsten uit hennepteelt heeft genoten die hij niet in zijn aangifte heeft vermeld. De Rechtbank is evenwel van oordeel dat de navorderingsaanslag inkomstenbelasting tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat deze dient te worden verminderd. Om die reden stelt de Rechtbank een lagere vergrijpboete vast. Omdat de aanslagen zijn opgelegd met omkering en verzwaring van de bewijslast ziet de Rechtbank aanleiding om de boeten met 20% te matigen. Vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende matigt de Rechtbank de boete (verder) met 20%.

De Rechtbank ziet geen aanleiding om de boete verder te matigen in verband met overschrijding van de redelijke termijn, nu dit aan belanghebbende is toe te rekenen. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de Rechtbank immers om aanhouding verzocht totdat in de strafzaak was beslist.

Rechtbank Den Haag 24 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14440

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:14440