Vergrijpboeten vanwege niet-opgegeven stakingswinsten

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over meerdere jaren opgelegd alsmede vergrijpboeten over de jaren 2007 en 2008. In geschil is onder meer of de vergrijpboeten terecht – en tot de juiste bedragen – zijn opgelegd.

Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van B BV. B BV houdt 100% van de aandelen in A BV. A BV exploiteert een coffeeshop, die zich richt op de verkoop van softdrugs, koffie, thee en frisdrank. De inspecteur heeft geconstateerd dat belanghebbende bij de verkoop van zijn aandelen alsmede bij de overbrenging van aandelen naar privé geen stakingswinst heeft opgegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting, waardoor te weinig belasting is geheven. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting opgelegd alsmede vergrijpboeten van 50%. Belanghebbende wordt (voorwaardelijk) opzet verweten met betrekking tot de niet-opgegeven stakingswinsten.

De Rechtbank is ten aanzien van de vergrijpboete over het jaar 2007 van oordeel dat belanghebbende met het niet verantwoorden van de gerealiseerde stakingswinst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aanslag tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld. De Rechtbank acht in dit verband een boete van 50% passend en geboden. De vergrijpboete over 2008 is vernietigd op verzoek van beide partijen.

De Rechtbank constateert voorts dat de redelijke termijn is overschreden met meer dan 2 jaar en vermindert de boeten om die reden met 20%.

Rechtbank Noord-Holland 24 november 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:9564

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2016:9564