Vergrijpboeten voor autohandelaar die in- en verkopen niet inboekte en ten onrechte nihilaangiften omzetbelasting indiende

Belanghebbende is btw-ondernemer en handelt in gebruikte auto’s alsook in auto-onderdelen. Belanghebbende doet per kwartaal aangifte omzetbelasting en heeft over diverse tijdvakken nihilaangiften omzetbelasting ingediend.

De inspecteur heeft een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld en heeft onder meer de ingediende aangiften omzetbelasting beoordeeld. Aan de hand van gegevens van de RDW – waaruit blijkt welke auto’s belanghebbende op zijn naam had staan – heeft de inspecteur de aangiften beoordeeld. Vervolgens zijn door de inspecteur naheffingsaanslagen omzetbelasting alsmede vergrijpboeten van 25% en 50% opgelegd.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft bewezen dat belanghebbende nihilaangiften heeft gedaan, terwijl zij wist dat wel omzetbelasting was verschuldigd. Dat omzetbelasting was verschuldigd volgde naar het oordeel van de Rechtbank al uit de administratie van belanghebbende zelf. De Rechtbank acht het verder aannemelijk dat niet alle in- en verkopen van auto’s zijn geboekt, en dat daarbij auto’s als margeauto’s zijn geboekt terwijl belanghebbende wist dat zij niet over inkoopverklaringen of ander bewijs beschikte waaruit bleek dat de auto’s zijn geleverd onder toepassing van de margeregeling.

De Rechtbank is om die reden van oordeel dat belanghebbende opzettelijk ten onrechte nihilaangiften heeft gedaan. Tevens is gebleken dat de kasadministratie achteraf in de administratie is verwerkt. De Rechtbank acht vergrijpboeten van 50% passend en geboden. Over het jaar 2010 is belanghebbende grove schuld – in plaats van opzet – verweten door de inspecteur. Nu de Rechtbank evenwel opzet aanwezig acht, ligt hierin naar het oordeel van de Rechtbank besloten dat grove schuld aan de zijde van belanghebbende vaststaat.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat haar negatieve balans noopt tot vermindering van de boeten. De Rechtbank beschikt echter niet over enig inzicht in de actuele financiële positie van belanghebbende. Eveneens acht de Rechtbank niet aannemelijk dat de balanspositie de werkelijkheid weergeeft, nu – zoals de Rechtbank reeds heeft overwogen – niet alle in- en verkopen zijn geboekt. Nu er geen duidelijkheid bestaat over de werkelijke vermogenspositie van belanghebbende, ziet de Rechtbank hierin geen aanleiding om de boeten te verminderen.

De Rechtbank vermindert de boeten wel met 20% vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 december 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8473

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2016:8473