Vergrijpboeten voor niet opgegeven meeromzetten en inkomsten

Aan belanghebbende zijn aanslagen inkomstenbelasting met een vergrijpboete opgelegd alsmede een naheffingsaanslag omzetbelasting met een vergrijpboete. In geschil is onder meer of de vergrijpboeten terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld waarbij is gebleken dat belanghebbende te weinig omzet en inkomsten heeft opgegeven bij de Belastingdienst. Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn vermogensvergelijkingen gemaakt die negatief uitkomen. Belanghebbende stelt dat hij bedragen heeft gewonnen in het Holland Casino en daarmee uitgaven heeft gedaan.

De Rechtbank acht niet aannemelijk dat belanghebbende bepaalde uitgaven en stortingen heeft gedaan met (in het casino) gewonnen geld, hoewel is vastgesteld dat belanghebbende een frequent bezoeker was van het Holland Casino. Naar het oordeel van de Rechtbank kon de inspecteur er redelijkerwijs van uitgaan dat het om verzwegen inkomsten/omzet ging, omdat er geen aanwijsbaar verband was met het casinobezoek en er geen andere verklaring voor de stortingen was.

De Rechtbank acht bewezen dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft ingediend, maar houdt wel rekening met het feit dat de hoogte van de aanslag tot stand is gekomen met omkering van de bewijslast. De Rechtbank acht een boete van € 5.000 passend en geboden.

De Rechtbank acht bewezen dat sprake is geweest van aanzienlijke meeromzetten dan in de aangiften omzetbelasting zijn vermeld en dat belanghebbende opzettelijk te lage bedragen aan omzetbelasting heeft aangegeven en betaald. Ook bij deze vergrijpboete houdt de Rechtbank rekening met het feit dat de aanslag tot stand is gekomen met omkering van de bewijslast en acht eveneens hier een vergrijpboete van € 5.000 passend en geboden.

De boeten worden beide gematigd tot € 4.000 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 april 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:6626

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2016:6626