Vergrijpboeten voor ondernemer die ten onrechte een schuur als ondernemingsvermogen heeft aangemerkt

Belanghebbende exploiteert een administratiekantoor en verricht voor ongeveer acht bedrijven de administratie. Haar echtgenoot exploiteert een administratie- en belastingadvieskantoor op hetzelfde adres. Hij verzorgt de administraties voor ongeveer 35 bedrijven en verzorgt eveneens de belastingzaken voor de klanten van belanghebbende.

Belanghebbende en haar echtgenoot hebben een woning aangeschaft en hebben los van de woning achter in de tuin een kantoor laten bouwen. Achter het kantoorgebouw is een schuur gebouwd die bestaat uit een kelder, een garage, een zolder, een zadelkamer en een paardenstal. Een deel van de investering is bij belanghebbende dan wel haar echtgenoot geactiveerd als ondernemingskosten.

De inspecteur heeft de situatie aldaar bekeken en geconcludeerd dat het pand zo overheersend privé is dat dit door de inspecteur volledig als privé wordt aangemerkt. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur correcties aangebracht en navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd alsmede vergrijpboeten.

De inspecteur heeft vergrijpboeten opgelegd wegens het feit dat de schuur achter het kantoor nagenoeg geheel voor privédoeleinden wordt gebruikt. De inspecteur stelt zich daarbij op het standpunt dat een onevenredig groot deel als zakelijk is aangemerkt terwijl uit feitelijke constateringen volgt dat er geen sprake is van ‘enig zakelijk gebruik’ van de ruimten. Door de kosten in afwijking van het werkelijke gebruik als zakelijke kosten op te voeren is opzettelijk te weinig belasting betaald. Subsidiair voert de inspecteur aan dat ten minste sprake is van grove schuld. Belanghebbende stelt dat sprake is van een pleitbaar standpunt.

De Rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een pleitbaar standpunt. Van een pleitbaar standpunt is sprake als het, gelet op de jurisprudentie en de heersende leer, verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kon menen juist te handelen. Daarvan is naar het oordeel van de Rechtbank thans geen sprake, aangezien het standpunt van belanghebbende zozeer in strijd is met het feitelijk gebruik, waarbij in het geheel geen sprake is van enig zakelijk gebruik, dat belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank niet kon menen juist te handelen.

De Rechtbank is van oordeel dat belanghebbende door aangifte te doen op de wijze zoals zij heeft gedaan ten minste willens en wetens de niet te verwaarlozen kans heeft aanvaard dat de aanslag te laag vastgesteld zou worden. Daarbij neemt de Rechtbank mede in aanmerking dat belanghebbende een financiële achtergrond heeft. Van strafverminderende omstandigheden is de Rechtbank niet gebleken. De Rechtbank is derhalve van oordeel dat de opgelegde boete passend en geboden is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn wordt de boete wel met 15% gematigd.

Rechtbank Gelderland 8 december 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:6532

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2016:6532