Vergrijpboetes in inkeerzaak niet in strijd met het nulla poena-beginsel opgelegd

Aan belanghebbende zijn verschillende vergrijpboetes opgelegd omdat belanghebbende geen melding had gemaakt van de door hem aangehouden Zwitserse bankrekening.

Belanghebbende heeft in 2015 een beroep gedaan op de inkeerregeling. Daarbij zijn geen gegevens van de aangehouden bankrekening verstrekt. De inspecteur en belanghebbende hebben met betrekking tot de hoogte van de navorderingsaanslagen een vaststellingsovereenkomst getekend.

In geschil is of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd, meer specifiek of de boetes in strijd met art. 7 van het EVRM dan wel art. 15 IVBPR zijn opgelegd. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het nulla poena-beginsel eveneens geldt ten aanzien van het BBBB. Gelet op de tekst van het BBBB kon hij erop vertrouwen dat bij inkeer nadien geen hogere boete zou worden opgelegd dan de boete die gold ten tijde van die indiening. Dat geldt ook in het geval dat na wijziging van de beleidsregels wordt ingekeerd.

De Rechtbank is van oordeel dat het in art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR vervatte nulla poena-beginsel, dat inhoudt dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan de straf die van toepassing was ten tijde van het begaan van de overtreding, eveneens geldt ten aanzien van de toepassing van beleidsregels. De bepalingen in het BBBB zijn naar het oordeel van de Rechtbank te beschouwen als regels van sanctierecht, waarmee binnen het bereik wordt gekomen van art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR.

De stelling van belanghebbende dat de beleidsregels van toepassing blijven zoals die luidden ten tijde van het begaan van het beboetbare feit, volgt de Rechtbank evenwel niet. Naar het oordeel van de Rechtbank zijn de wettelijke bepalingen en de beleidsregels onlosmakelijk met elkaar verbonden. Aangezien de vrijwillige inkeer pas in 2015 heeft plaatsgevonden en op die inkeer art. 67n van toepassing is zoals dat artikel luidde in 2015, dienen naar het oordeel van de Rechtbank eveneens de beleidsregels tot uitgangspunt te worden genomen zoals die golden ten tijde van de inkeer. Het per 1 januari 2014 ingevoerde vierde lid van paragraaf 1 van het BBBB verhindert de toepassing van de vóór 1 januari 2014 geldende beleidsregels.

De Rechtbank stelt vast dat de inspecteur terecht vergrijpboetes heeft opgelegd en de Rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:11232