Vergrijpboetes terecht aan inhoudingsplichtige opgelegd wegens het ontbreken van een afdoende rittenregistratie

Belanghebbende exploiteert een onderneming op het gebied van het beschikbaar stellen van technisch personeel, met name voor het uitvoeren van schilder- en straalwerkzaamheden. Zij liet de (loon)administratie verzorgen door een adviseur. Na een boekenonderzoek zijn aan belanghebbende naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd voor de jaren 2013 tot en met 2016. Tevens zijn vergrijpboetes opgelegd.

In hoger beroep zijn onder meer de vergrijpboetes in geschil.

Belanghebbende heeft ten aanzien van twee ter beschikking gestelde auto’s geen rittenregistratie bijgehouden en voor één auto heeft zij een onvolledige rittenregistratie bijgehouden. Belanghebbende was naar het oordeel van de Rechtbank wel op de hoogte van de regels omtrent het privégebruik auto, gelet op de aanwezigheid van rittenregistraties en aangezien zij voor de auto wel een (te lage) bijtelling had gehanteerd. Belanghebbende is zich dus kennelijk bewust geweest van de grens van 500 kilometer per jaar. Het handelen van belanghebbende levert dan ook grove schuld op. Dat belanghebbende haar loonadministratie en haar aangiftes loonheffingen door haar adviseur heeft laten verzorgen, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. Dit verwijt treft namelijk belanghebbende zelf en niet degene die zij heeft ingeschakeld voor het verzorgen van haar loonadministratie en haar aangiftes loonheffingen. Belanghebbende diende immers zelf een rittenregistratie bij te houden. De vergrijpboetes zijn volgens de Rechtbank terecht opgelegd.

Het Hof volgt de Rechtbank in haar oordeel dat de vergrijpboetes terecht en naar een juist bedrag zijn opgelegd. De vergrijpboetes bedragen 25% van de ter zake van de correcties privégebruik auto nageheven belasting. Dat vindt het Hof passend, gelet op de aard van het vergrijp, en ook geboden uit een oogpunt van normhandhaving. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:1551