Vergrijpboetes van 50% en 150% door niet alle gegevens te verstrekken bij een inkeerverzoek

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2006 tot en met 2016 opgelegd. Daarbij zijn ook vergrijpboetes opgelegd.

Belanghebbende heeft in zijn aangiften geen vermogensbestanddelen van een buitenlandse bankrekening aangegeven. In 2015 heeft belanghebbende via zijn gemachtigde te kennen gegeven dat hij ter zake van een buitenlandse bankrekening gebruik wil maken van de inkeerregeling. In de inkeerbrief is onder meer aangegeven dat belanghebbende samen met twee andere personen een buitenlandse bankrekening heeft met een saldo van op dat moment van circa € 24.000.000. In de brief wordt verder aangegeven dat belanghebbende de namen van de twee andere rekeninghouders en de naam van het adres van de bank zo spoedig mogelijk aan de gemachtigde zal doorgeven en dat hij tevens de relevante bankbescheiden bij de bank zal opvragen.

Nu niet in geschil is dat belanghebbende ter zake van zijn buitenlandse bankrekening niet alle gegevens heeft verstrekt, kan belanghebbende geen beroep doen op de inkeerregeling. Dat belanghebbende de intentie heeft gehad om alle gegevens te verstrekken, dat hij niet zonder toestemming van de andere rekeninghouders geld van de buitenlandse bankrekening kan halen, dat hij geen informatie van de bank kan krijgen die alleen op hem betrekking heeft en hij er voorts alles aan heeft gedaan om de gevraagde gegevens te verstrekken door contact met de andere rekeninghouders te houden, dat hij de andere rekeninghouders brieven heeft meegegeven over de gevolgen van het niet inkeren en hij een in de vaststellingsovereenkomst opgenomen voorstel heeft gedaan, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. Naar het oordeel van de Rechtbank komt een onvolledige inkeer dus voor zijn rekening.

De inspecteur heeft ter zitting nader toegelicht dat bij de hoogte van de vergrijpboetes rekening is gehouden met drie strafverzwarende omstandigheden; (i) de bewuste keuze van belanghebbende om over meerdere jaren onjuiste aangifte te doen, (ii) het niet weersproken vermoeden dat belanghebbende een buitenlandse bankrekening in een land met een bankgeheim heeft aangehouden en de weigering door belanghebbende om alle gevraagde gegevens over zijn buitenlandse bankrekening te verstrekken. Daarnaast heeft de inspecteur rekening gehouden met een strafverzwarende omstandigheid, namelijk (iii) de partiële inkeer door belanghebbende. De inspecteur heeft uiteindelijk de vergrijpboetes voor de jaren 2006 tot en met 2008 tot 50% en voor de overige jaren tot 150% gematigd.

De Rechtbank acht de door de inspecteur opgelegde vergrijpboetes niet te hoog en ook passend en geboden. Voor een verdere matiging ziet de Rechtbank geen aanleiding.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:13273