Vergrijpboetes voor belanghebbende die werkzaamheden niet ten gunste van een vereniging maar voor zichzelf verrichtte

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2012 opgelegd alsmede vergrijpboetes.

Belanghebbende genoot in de periode 2010 tot en met 2012 een bijstandsuitkering. In deze jaren was belanghebbende ook als medeoprichter en secretaris betrokken bij een vereniging (zonder ANBI-status).

Belanghebbende heeft in de jaren 2010 tot en met 2012 namens andere belastingplichtigen belastingaangiften ingevuld en ingediend. In 2013 heeft de Inspecteur een onderzoek gedaan naar inkomsten die belanghebbende zou hebben verdiend met het tegen betaling invullen en versturen van deze aangiften. Uit het onderzoek volgde dat belanghebbende inkomsten (ROW) had genoten en niet had opgegeven in zijn aangiften. De Inspecteur heeft in dat kader navorderingsaanslagen opgelegd.

In geschil is onder meer of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.

Belanghebbende heeft ter zitting erkend dat hij in de onderhavige jaren voor derden belastingaangiften heeft verzorgd en voor deze werkzaamheden (in zeker de helft van de gevallen) een vergoeding heeft ontvangen van € 50 per aangifte. Hij stelt echter dat hij deze werkzaamheden uitsluitend heeft verricht ten behoeve van de vereniging en dat deze bedragen niet aan hem ten goede zijn gekomen, maar via de vereniging zijn betaald aan culturele en godsdienstige instellingen in Turkije.

Het Hof acht die stelling niet aannemelijk. Het verlenen van diensten op fiscaal gebied behoort niet tot de doelstelling van de vereniging zoals deze in de statuten is vastgelegd. Gesteld noch gebleken is dat de vereniging op enig moment besloten heeft om haar doelstelling te verruimen met het verrichten van werkzaamheden op fiscaal gebied. Stukken waaruit zou kunnen volgen dat de vergoeding door de klanten van belanghebbende uitsluitend zijn betaald ten behoeve van de vereniging zijn niet overgelegd. Daarnaast volgt uit de verklaringen van klanten van belanghebbende dat zij hebben ervaren dat de bedragen door hen werden betaald aan belanghebbende in privé. Voor zover belanghebbende de bedragen die hij ter zake van zijn fiscale werkzaamheden heeft ontvangen al heeft doen toekomen aan de vereniging, waarvan niets is gebleken, betreft dat een inkomensbesteding van belanghebbende. Enige verplichting om deze vergoeding af te dragen aan de vereniging is door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Het Hof acht derhalve aannemelijk dat belanghebbende in de onderhavige jaren in ieder geval de helft van de inkomsten heeft genoten, zonder deze inkomsten in zijn aangiften te vermelden.

Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank dat gelet op het voorgaande het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Het Hof acht de gecorrigeerde boetes passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:2193