Vergrijpboetes voor hanteren onjuiste berekeningswijze kansspelbelasting

De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken 2011, 2012 tot en met 2015, 2016 en het eerste kwartaal 2017 naheffingsaanslagen kansspelbelasting opgelegd. Bij de naheffingsaanslagen over de tijdvakken van het derde en vierde kwartaal 2016 en het eerste kwartaal 2017 zijn aan belanghebbende tevens vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 35.213 en € 20.924, nu belanghebbende een verkeerde berekeningswijze heeft gehanteerd.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. De inspecteur is primair van oordeel dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet en subsidiair dat sprake is van grove schuld.

De Rechtbank acht bewezen dat belanghebbende in de jaren 2011 tot en met het eerste kwartaal van 2017 niet alle kansspelbelasting op aangifte heeft voldaan. In de gegeven omstandigheden is naar het oordeel van de Rechtbank sprake van grove schuld. Mede gelet op de brief die de inspecteur aan belanghebbende heeft gestuurd had belanghebbende moeten en kunnen weten dat de door haar gevolgde berekeningswijze van de verschuldigde kansspelbelasting niet zou worden gevolgd door de inspecteur. Desondanks heeft belanghebbende volhard in haar berekeningswijze van de verschuldigde kansspelbelasting en het risico genomen dat daardoor te weinig kansspelbelasting op aangifte zou worden voldaan.

Belanghebbende heeft dit telkens met open vizier gedaan door steeds in een bezwaarschrift tegen de eigen voldoening haar berekeningswijze kenbaar te maken. Dat bezwaar kan naar het oordeel van de Rechtbank echter geen effect sorteren vanwege het ontbreken van belang. Indien belanghebbende de rechtsvraag ter discussie had willen stellen, had zij er ook voor kunnen kiezen om de berekeningswijze van de inspecteur te volgen en vervolgens bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte. Nu belanghebbende zulks heeft nagelaten, heeft zij naar het oordeel van de Rechtbank niet de zorg betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd om te voorkomen dat te weinig belasting werd betaald.

Uit hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht, kan niet worden afgeleid dat de door haar gehanteerde berekeningswijze van de verschuldigde kansspelbelasting, en daarmee de door haar op aangifte voldane belasting, steun vindt in de stand van de jurisprudentie ten tijde van het doen van aangifte. Niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat haar uitleg en daarmee de door haar gedane aangifte juist was. Derhalve is geen sprake van een pleitbaar standpunt.

De Rechtbank zal de vergrijpboetes verminderen tot 25%, nu zij grove schuld bewezen acht en niet (voorwaardelijk) opzet. Aangezien beide boetes berusten op hetzelfde feitencomplex en belanghebbende met open vizier heeft gehandeld, matigt de Rechtbank de boetes verder tot € 9.000 en € 5.000.

Rechtbank Gelderland 25 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1902

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:1902