Vergrijpboetes voor het ten onrechte aanmerken van woning als ‘eigen woning’ en niet-aangegeven inkomsten in box 3

De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd voor de jaren 2011 t/m 2014 en vergrijpboetes van respectievelijk € 1.328, € 1.326, € 1.303 en € 50.

Belanghebbende is betrokken geweest bij een onderzoek van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente naar bijstandsfraude. Uit het onderzoek is gebleken dat belanghebbende een woning heeft verhuurd aan derden. In de aangiften inkomstenbelasting heeft belanghebbende hypotheekrenteaftrek geclaimd. De inspecteur heeft de in aftrek gebrachte bedragen aan negatieve inkomsten uit eigen woning gecorrigeerd. Ook heeft belanghebbende ten onrechte geen inkomen uit box 3 opgegeven, waarna de inspecteur is overgegaan tot het opleggen van navorderingsaanslagen en vergrijpboetes.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Evenals de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd. Naar het oordeel van het Hof is het aan de grove schuld van belanghebbende te wijten dat de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld en daardoor te weinig belasting is geheven. Belanghebbende verhuurde het pand aan derden en verbleef feitelijk op een ander adres. Vanwege deze omstandigheden diende belanghebbende er zich van bewust te zijn dat de woning, die belanghebbende verhuurde, niet als eigen woning kon worden aangemerkt.

Door desondanks in zijn aangiften negatieve inkomsten uit eigen woning op te voeren is het aan de grove schuld van belanghebbende te wijten dat daardoor te weinig belasting is geheven. Belanghebbende heeft voorts, terwijl hij eigenaar was van een in het buitenland gelegen woning en tevens houder was van een buitenlandse bankrekening met een aanzienlijk saldo, de inkomsten uit vermogensbestanddelen niet opgegeven in box 3. Ook in zoverre is het naar het oordeel van het Hof aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat de aanslagen te laag zijn vastgesteld. Gelet op de aard van het vergrijp en de hoogte van de boetes ziet het Hof in de omstandigheid dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast geen aanleiding de boetes te matigen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:2246