Vergrijpboetes voor niet-opgegeven PGB-inkomsten

Aan belanghebbende zijn diverse navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Voorts zijn daarbij vergrijpboetes opgelegd.

Belanghebbende is geboren in 1966 en gehuwd met X. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben drie zoons, te weten A, B en C. Aan de zoons zijn persoonsgebonden budgetten (PGB’s) toegekend, die aan belanghebbende zijn uitbetaald. In de aangiften, die door een adviseur zijn ingediend, zijn de PGB-inkomsten telkens niet aangegeven.

De inspecteur verwijt belanghebbende dat hij ‘grofschuldelijk’ tekort is geschoten in de samenwerking met zijn adviseur die voor hem de aangiften heeft verzorgd. Primair door de adviseur niet te voorzien van de benodigde informatie met betrekking tot de PGB’s en subsidiair doordat hij ten onrechte geen marginale controle heeft uitgeoefend op de feitelijke juistheid van de ingediende aangiften.

Het Hof is van oordeel dat van een belanghebbende – die zijn aangifte laat verzorgen door een deskundige adviseur – niet mag worden verwacht dat hij geen enkele toetsing meer behoeft te doen wat betreft de verwerking van de aan de adviseur verstrekte feiten en bescheiden. Onder de omstandigheden van het geval kan belanghebbende, naar het oordeel van het Hof, worden verweten dat hij niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd bij de samenwerking met zijn adviseur en dat is te wijten aan zijn aan opzet grenzende grove schuld. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat namens belanghebbende ter zitting is verklaard dat belanghebbende wist dat de inkomsten uit het PGB moesten worden aangegeven en dat daarom ook alle relevante informatie is verstrekt aan de adviseur met betrekking tot door hem genoten belastbare inkomsten uit de hiervoor bedoelde PGB’s.

Verder betrekt het Hof bij dit oordeel dat deze inkomsten een dermate groot deel van zijn belastbare inkomen uit werk en woning vormden dat hem in één oogopslag duidelijk moest zijn dat de door hem verstrekte informatie niet juist in de aangiften kon zijn opgenomen en dat hij meerdere jaren achtereen werd geconfronteerd met aanslagen waarvan hem aanstonds duidelijk moest zijn dat deze evident te laag waren. Dit maakt dat de opgelegde boetes terecht zijn opgelegd.

Belanghebbende heeft verzocht om matiging van de opgelegde boetes in verband met zijn financiële positie. Het Hof stelt voorop dat het de opgelegde boetes, los van de financiële positie van belanghebbende, passend en geboden acht. Vaststaat dat belanghebbende en zijn echtgenote thans samen netto-uitkeringen van € 2.284 per maand krijgen. Voorts staat vast dat belanghebbende in 2012 € 77.000 heeft afgelost op de hypothecaire lening voor de eigen woning. Sinds kort is belanghebbende op de hoogte van het besluit dat deze woning door aardbevingsschade moet worden gesloopt. Over de financiële gevolgen daarvan verkeert belanghebbende in onzekerheid doordat onduidelijk is naar welke omvang de NAM belanghebbende zal compenseren voor het verlies van deze woning, hoewel duidelijk is dat wel sprake zal zijn van enige compensatie. Het inkomen van belanghebbende is derhalve gering, maar het Hof ziet hierin desalniettemin geen aanleiding om tot matiging van de boetes over te gaan.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:735