Vergrijpboetes wegens in het buitenland aangehouden banktegoeden die buiten het zicht van de fiscus zijn gehouden

De Belgische Bijzondere Belastinginspectie heeft gegevens verstrekt aan het Ministerie van Financiën over inwoners van Nederland  die  bankrekeningen bij een Luxemburgse bank aanhouden. Naar aanleiding daarvan zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen opgelegd en vergrijpboetes. Onder meer de vergrijpboetes zijn in geschil.

De inspecteur heeft de vergrijpboetes opgelegd omdat belanghebbende bewust en met opzet heeft nagelaten om de tegoeden op de bankrekeningen op te geven met het oogmerk om belasting te ontduiken. Als strafverzwarende omstandigheid neemt de inspecteur mee dat gebruik is gemaakt van een buitenlandse bankrekening in een land met een bankgeheim.

Het Hof is van oordeel dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de aangiften niet (volledig) zijn gedaan en als gevolg daarvan de belasting over de saldi van de bankrekeningen niet is geheven. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende de saldi door het niet opnemen daarvan in de aangifte voor de inspecteur verborgen heeft gehouden met het oogmerk om buiten de heffing van de inkomstenbelasting te blijven. Belanghebbende heeft daarbij gebruik gemaakt van een bankrekening in een land met bankgeheim. Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om voormelde omstandigheden niet als strafverzwarende omstandigheid in de beoordeling mee te nemen. Het Hof acht, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, de boeten van 75 procent  passend en geboden.  Dat de verschuldigde belasting in de aanslagen aanvankelijk is berekend met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast is – anders dan belanghebbende mogelijk heeft bedoeld te stellen – geen omstandigheid waarmee rekening behoeft te worden gehouden, nu de boetegrondslag uiteindelijk is gebaseerd op de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens betreffende de bankrekening bij de KB-Lux en dus op het daadwerkelijke saldo.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:7583