Vergrijpboetes wegens niet opgeven buitenlandse bankrekening; vergrijpboetes fiscale partner vervallen

Belanghebbende beschikte vanaf 1994 over een bankrekening in Luxemburg. De procedure betreft de jaren 2006 tot en met 2015. Het saldo op de bankrekening is in de aangiften over die jaren door belanghebbende en haar echtgenoot niet opgegeven. Na een spontane gegevensuitwisseling in 2016 heeft de inspecteur belanghebbende benaderd, waarna belanghebbende openheid van zaken heeft gegeven. De inspecteur heeft over de onderhavige jaren navorderingsaanslagen opgelegd. Voor de jaren 2007 tot en met 2015 zijn  vergrijpboetes opgelegd. De vergrijpboetes voor 2007 en 2008 bedragen 50% en de vergrijpboetes voor 2009 tot en met 2015 bedragen 150%.

In geschil zijn onder meer de vergrijpboetes.

De inspecteur neemt als strafverzwarende omstandigheden onder meer in acht dat belanghebbende specifiek heeft gekozen voor een rekening in Luxemburg omdat destijds een bankgeheim gold, dat zij stelselmatig onjuiste aangifte heeft gedaan en dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de inkeerregeling hoewel hierover veel media aandacht is geweest. De inspecteur heeft in strafverminderende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat belanghebbende openheid van zaken heeft gegeven. Belanghebbende voert aan dat de vergrijpboeten zijn gestoeld op feitelijke onwaarheden (het fictieve rendement) in plaats van het feitelijke spaarvoordeel.

De Rechtbank verwerpt deze laatste stelling van belanghebbende nu op grond van art. 67e lid 2 AWR de grondslag van een vergrijpboete wordt gevormd door het bedrag van de navorderingsaanslagen. Nu de Rechtbank heeft geoordeeld dat het hanteren van fictief rendement in casu niet in strijd is met artikel 1 Eerste Procotol EVRM, is de feitelijke grondslag van de navorderingsaanslag niet (meer) in geding; de vergrijpboetes zijn niet op onwaarheden gebaseerd. De Rechtbank vindt de opgelegde boetes passend en geboden.

Wel besteedt de Rechtbank ambtshalve aandacht aan de redelijke termijn. De boetes zijn aangekondigd op 23 augustus 2018. De tijd tussen de aankondiging en de uitspraak van de Rechtbank betreft 27 maanden. De boetes worden daarom met 5% worden verminderd.

Aan de fiscale partner van belanghebbende zijn eveneens navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd gekregen. Doordat niet is gebleken dat belanghebbende medegerechtigd was tot de bankrekening kan niet worden vastgesteld dat de fiscale partner op de hoogte was van de bankrekening. Opzet kan daarmee volgens de Rechtbank niet worden bewezen, zodat de boetes worden vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:9094

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:9098