Verleggingsregeling niet van toepassing waardoor de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd; vergrijpboete van 50% wegens creditfacturen zonder realiteitswaarde

Belanghebbende geeft advies over onroerend goed, verkoopt en verhuurt onroerend goed en verricht bouwbegeleiding. Zij is aan te merken als ondernemer voor de omzetbelasting. In 2010 en 2011 heeft belanghebbende werkzaamheden uitgevoerd in opdracht van een woningstichting. Tijdens het ingestelde boekenonderzoek naar de aangiftes omzetbelasting 2009 en 2011 is naar voren gekomen dat er te weinig btw in rekening is gebracht waardoor er €  92.178 wordt nageheven. Daarnaast is een vergrijpboete van 50% opgelegd wegens het opzetten van een constructie met als doel om op onjuiste wijze omzetbelasting aan te geven en af te dragen. Onder meer deze naheffing en de vergrijpboete zijn in geschil.

Belanghebbende heeft de naheffingsaanslag van € 92.178 gefactureerd aan de woningstichting. Belanghebbende meende dat  omzetbelasting geheven moest worden van de woonstichting omdat deze ‘eigenbouwer’ is en de verleggingsregeling daarom van toepassing is. De Rechtbank overweegt dat, nu de verleggingsregeling een uitzondering is op de hoofdregel, de bewijslast op belanghebbende rust en dat belanghebbende volgens de Rechtbank niet aan haar bewijslast heeft voldaan, nu er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt wat tussen belanghebbende en de woonstichting is afgesproken betreffende de werkzaamheden. Uit eerdere facturen blijkt volgens de Rechtbank ook niet dat partijen uitgingen van toepassing van de verleggingsregeling. De naheffingsaanslag is derhalve terecht aan belanghebbende opgelegd. Wat betreft de hoogte van de naheffingsaanslag ziet de Rechtbank geen aanleiding om deze te verlagen omdat een redelijke belastingheffing met zich mee brengt dat in de omzet waarover wordt nageheven de niet-afgedragen btw is inbegrepen.

Wat betreft de vergrijpboete heeft de inspecteur aangevoerd dat belanghebbende stelselmatig factureerde maar dit vervolgens crediteerde aan de woningstichting. Overigens hadden de creditfacturen geen realiteitswaarde en heeft belanghebbende over de creditfacturen wisselende verklaringen gegeven. De inspecteur heeft dus aannemelijk gemaakt dat belanghebbende bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. De Rechtbank acht daarom een vergrijpboete van 50% passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8454