Verweer dat verdachte geen opzet had omdat hij administratie ‘uit zijn hoofd’ deed, slaagt niet

Aan de verdachte is – als opdrachtgever/feitelijk leidinggever – ten laste gelegd dat hij opzettelijk aangiften omzetbelasting onjuist en/of onvolledig heeft gedaan

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen opzet had op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en daarom moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De verdachte heeft de administratie uit zijn hoofd gedaan; dit is onzorgvuldig, maar hij heeft niet willens en wetens ‘de boel belazerd’.

Het Hof overweegt dat verdachte, zijnde bestuurder van de BV, verplicht is op zodanige wijze administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. De verdachte die als bestuurder daarvoor verantwoordelijk is, heeft niet voldaan aan deze verplichting. Uit het boekenonderzoek is immers gebleken dat de administratie voor de aankondiging van het boekenonderzoek niet in orde was. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep zijn eerdere verklaring bevestigd waaruit volgt dat hij de aangiften omzetbelasting uit zijn hoofd heeft gedaan, hij geen administratie voerde en dat hij wist dat de administratie op orde moest zijn.

Het hof oordeelt  dat uit vorenstaande volgt dat verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat hij onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan en daardoor te weinig belasting is geheven.

Als gevolg van het handelen van de verdachte is een bedrag van ten minste € 196.742 aan fiscaal nadeel ontstaan voor de Belastingdienst en daarmee voor de Nederlandse samenleving.

Het Hof neemt in aanmerking dat de verdachte uit was op gemakkelijk (eigen) financieel gewin. De verdachte heeft met gebruikmaking van zijn vennootschap op doortrapte wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat ten grondslag ligt aan het systeem van de Belastingdienst inzake de omzetbelasting en de daaruit voortvloeiende ondermijning van de belastingmoraal. In strafverlagende zin neem het Hof mee dat de verdachte direct vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:4346