Verzuimboete aanzienlijk gematigd vanwege samenhang met vergrijpboete

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd alsmede een vergrijpboete van € 24.290 en een verzuimboete van € 2.460.

Belanghebbende drijft een onderneming in ‘overige goederen’. Later bleek uit politieverhoren dat dit kweekmaterialen betrof voor de hennepkweek. Belanghebbende is na enige tijd begonnen met een nieuwe activiteit, namelijk de exploitatie van een siersmederij. De politie heeft op enig moment een onderzoek gestart naar belanghebbende in verband met de handel in hennep. Hierbij zijn onder meer tapverslagen opgemaakt.

Werknemer Z zou werkzaam zijn voor de onderneming die handelt in overige goederen, zo zou gebleken zijn uit tapverslagen van de politie die aan de inspecteur ter beschikking zijn gesteld. Werknemer X zou werkzaam zijn voor de siersmederij, zo zou zijn gebleken uit een bedrijfsbezoek van de Belastingdienst bij belanghebbende. Naar aanleiding daarvan is een naheffingsaanslag loonheffingen, alsmede boeten opgelegd aan belanghebbende. In geschil is onder meer of de vergrijp- en verzuimboete terecht zijn opgelegd.

Gelet op het feit dat de naheffingsaanslag met betrekking tot X is vernietigd, is ook de grondslag voor de vergrijpboete met betrekking tot X vervallen. De Rechtbank behandelt derhalve de opgelegde vergrijpboete ter zake van de dienstbetrekking met Z.

De Rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van belanghebbende kan worden afgeleid dat hij wist dat er fiscale gevolgen waren voor de werknemer, maar niet dat dit ook fiscale gevolgen voor de loonheffingen voor hemzelf zou kunnen hebben. Mitsdien is geen sprake van opzet. Grove schuld wordt wel aanwezig geacht. Belanghebbende had inzake Z moeten weten dat hij loonheffingen moest afdragen over de betaalde vergoedingen. De Rechtbank acht een vergrijpboete van 25% passend en geboden.

Ten aanzien van de verzuimboete stelt de Rechtbank vast dat belanghebbende de inspecteur niet heeft verzocht om hem uit te nodigen voor het doen van aangifte. Het verzuim staat derhalve vast. Gelet op het feit dat de verzuimboete is opgelegd in verband met een samenhangend beboetbaar feit waarvoor eveneens een vergrijpboete is opgelegd, acht de Rechtbank een verzuimboete van € 500 passend en geboden.

De Rechtbank matigt de boeten verder met 5% vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 juli 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5739

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2016:5739