Verzuimboete naar het oordeel van de Rechtbank eerder te laag dan te hoog vastgesteld

Belanghebbende dreef een groothandel in beeld- en geluidsdragers. Belanghebbende is door de inspecteur uitgenodigd tot het doen van aangifte Vpb 2012. Vervolgens is belanghebbende aangemaand tot het doen van aangifte waarbij een laatste termijn is gesteld tot 11 januari 2014. Op 8 februari 2014 heeft belanghebbende een nihil aangifte gedaan.

Aan belanghebbende is daarom een verzuimboete opgelegd van € 2.460 ter zake van het niet tijdig doen van aangifte Vpb. In geschil is onder meer of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. De inspecteur heeft de verzuimboete na bezwaar reeds gematigd tot € 246.

Belanghebbende stelt dat nader bijzonder uitstel is gevraagd voor het indienen van de aangifte Vpb over het jaar 2012, en dat de aangifte derhalve binnen de uitsteltermijn is ingediend die voor belastingconsulenten geldt als bijzonder uitstel is verleend. Belanghebbende wijst er op dat haar gemachtigde in oktober 2012 ten onrechte uit het bestand van deelnemers aan de beconregeling is verwijderd door de Belastingdienst. De inspecteur bestrijdt dat nader bijzonder uitstel is verleend.

De Rechtbank overweegt ten aanzien van het bijzonder uitstel dat dit niet aannemelijk is gemaakt door belanghebbende en bovendien ook niet uit de stukken blijkt. Het standpunt van belanghebbende wordt door de Rechtbank verworpen.

Ten aanzien van de hoogte van de boete overweegt de Rechtbank dat het feit dat belanghebbende in de veronderstelling verkeerde dat er een uitsteltermijn gold, niet leidt tot afwezigheid van alle schuld. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de Rechtbank niet alle zorg betracht om te bewerkstelligen dat de aangifte tijdig zou worden ingediend.

De Rechtbank acht de vermindering van de verzuimboete naar € 246 bijzonder ruimhartig gezien de stelselmatige verzuimen van belanghebbende. De Rechtbank is dan ook van oordeel dat de verzuimboete eerder te laag, maar in elk geval niet hoger dan passend en geboden is. Verder is de Rechtbank niet gebleken dat de verzuimboete verder zou moeten worden gematigd. De Rechtbank zal de verzuimboete niet matigen vanwege overschrijding van de redelijke termijn, nu de overschrijding te wijten is aan de handelwijze van (de gemachtigde van) belanghebbende.

De Rechtbank handhaaft de verzuimboete van € 246.

Rechtbank Gelderland 20 december 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:6803

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2016:6803