Verzuimboete voor ANBI-stichting wegens nihilaangifte overdrachtsbelasting

De inspecteur heeft aan belanghebbende, een ANBI, een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd ter zake van de verkrijging van de economische eigendom van een onroerende zaak. Belanghebbende had – in afwachting van een minnelijke taxatie met de Belastingdienst – een belastbare verkrijging van nihil aangegeven. Het pand is uiteindelijk in een minnelijke overeenkomst met de inspecteur gewaardeerd op € 2.200.000. Naast de naheffing van 6% overdrachtsbelasting heeft de inspecteur ook een verzuimboete van € 4.400 opgelegd.

In geschil in hoger beroep is of de inspecteur de verzuimboete terecht aan belanghebbende heeft opgelegd.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bij het opleggen van de boete niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht. Uit de motivering van de naheffingsaanslag kon belanghebbende volgens de rechtbank opmaken welk feit haar werd verweten. Die motivering kan in redelijkheid niet anders worden uitgelegd dan dat belanghebbende geen overdrachtsbelasting heeft voldaan terwijl zij dat wel had moeten doen. Voorts vermeldt de motivering de materiële boetebepaling, art. 67c Awr. Naar het oordeel van het Hof is hiermee op zichzelf al aan de mededelingsplicht voldaan.

Daarnaast meent belanghebbende dat de verzuimboete achterwege had moeten blijven vanwege de afwezigheid van alle schuld (‘avas’). Zij stelt dat haar bij het doen van de aangifte niet bekend was wat de waarde van de onroerende zaak was en daarmee wat het bedrag van de verschuldigde overdrachtsbelasting was. Vaststaat dat belanghebbende de belasting in het geheel niet heeft betaald, ook niet nadat zij van het belastbare feit pas enige maanden later aangifte had gedaan. Verder staat vast dat ten tijde van het ontstaan van de belastingschuld de onroerende zaak een waarde had, en ook dat belanghebbende daarmee bekend was. Dat er voor verschillende doeleinden verschillende waardes van de onroerende zaak in omloop waren, ontslaat belanghebbende niet ervan de belasting over een haar bekende waarde of een in haar opdracht vast te stellen waarde op aangifte te voldoen, temeer nu zij er ook mee bekend was dat die waarde niet nihil kon zijn. Hieruit volgt dat er geen sprake is van avas.

Ook meent belanghebbende dat zij een pleitbaar standpunt heeft. Belanghebbende voert aan dat zij de inspecteur om een gezamenlijke taxatie had verzocht en dat deze gezamenlijke taxatie ten tijde van het doen van de aangifte nog niet had plaatsgevonden. Volgens belanghebbende is in haar geval sprake van een pleitbaar standpunt, omdat zij meent dat zij juist heeft gehandeld door in de aangifte erop te wijzen dat om een middellijke taxatie was verzocht, en zij met deze handelwijze de koninklijke weg heeft bewandeld. Het Hof is van oordeel dat naar objectieve maatstaven gemeten het niet verdedigbaar is in zijn geheel geen overdrachtsbelasting te voldoen, ook niet in de door belanghebbende geschetste omstandigheden.

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond en het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1672