Verzuimboete Vpb van € 2.639 opgelegd aan in België gevestigde vennootschap

Aan belanghebbende is een verzuimboete van € 2.639 voor het te laat indienen van een aangifte vennootschapsbelasting opgelegd.

Belanghebbende is een naar Belgisch recht opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die aldaar statutair is gevestigd. De ondernemingsactiviteiten richten zich op de zeevisserij. Het schip vaart onder Belgische vlag, met een Belgische vislicentie en vist op een Belgisch vangstquotum. De vangsten worden voor tenminste 50% verkocht via een Belgische veiling. In geschil is of belanghebbende belastingplichtig is in Nederland en of de verzuimboete van € 2.639 terecht is opgelegd.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland, omdat de feitelijke leiding vanuit Nederland wordt uitgeoefend. Mevrouw D heeft volgens de inspecteur weliswaar een adres in België, maar is volgens de inspecteur woonachtig in Nederland tezamen met haar echtgenoot. De inspecteur voert onder meer aan dat zij een Nederlandse bankrekening bezitten en dat uit informatie, afkomstig van diverse sociale media, sportverenigingen en branchevereniging blijkt dat zij een woonplaats in Nederland vermelden.

De Rechtbank stelt vast dat er omstandigheden zijn die naar België wijzen als vestigingsplaats en omstandigheden die naar Nederland wijzen. De Rechtbank is van oordeel dat er voldoende omstandigheden zijn op grond waarvan de inspecteur kon menen dat belanghebbende vermoedelijk belastingplichtig is in Nederland, zodat de inspecteur niet onredelijk handelt door belanghebbende te verzoeken om aangifte te doen. Hieruit volgt de verplichting voor belanghebbende om de aangifte in te dienen. Haar standpunt omtrent de belastingplicht ontslaat belanghebbende niet van deze verplichting. Belanghebbende had dit standpunt immers in de aangifte tot uitdrukking kunnen laten komen.

Niet in geschil is dat belanghebbende de aangifte Vpb te laat heeft ingediend. De inspecteur heeft daarom een verzuimboete van € 2.639 opgelegd, zijnde 50% van het wettelijk maximum van 67a AWR. De Rechtbank stelt vast dat belanghebbende, buiten haar stelling omtrent de belastingplicht, geen gronden tegen de boete heeft aangevoerd en dat de inspecteur belanghebbende meerdere malen uitstel heeft verleend voor het doen van de aangifte. De Rechtbank stelt vast dat belanghebbende voldoende tijd heeft gehad om aangifte te doen en is van oordeel dat de boete terecht is opgelegd.

De Rechtbank acht de boete passend en geboden.

Rechtbank Gelderland, 14 maart 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:1137)

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:1137