Verzuimboeten van 2% bij 36 naheffingsaanslagen kansspelbelasting niet disproportioneel

Door de inspecteur zijn aan belanghebbende naheffingsaanslagen kansspelbelasting met verzuimboeten opgelegd. In geschil is of de verzuimboeten terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de kansspelbelasting, maar de aangegeven kansspelbelasting niet voldaan. De inspecteur heeft voor ieder tijdvak telkens een verzuimboete opgelegd. Het niet-betaalde bedrag aan kansspelbelasting voor de verschillende tijdvakken bedraagt € 6.795.307,-.

De inspecteur heeft voor ieder tijdvak een verzuimboete van 2% opgelegd, met uitzondering van het tijdvak november 2013. Voor dat tijdvak heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd van 3%, in overeenstemming met het per 1 januari 2014 in werking getreden Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).

Het Hof stelt vast dat, aangezien de voor het tijdvak november 2013 verschuldigde kansspelbelasting uiterlijk 31 december 2013 moest zijn ontvangen, het verzuim is begaan vóór 1 januari 2014. Het Hof is derhalve van oordeel dat voor het tijdvak november 2013 eveneens een verzuimboete van 2% opgelegd had moeten worden, en vermindert derhalve de verzuimboete voor dit tijdvak.

Verder is het Hof van oordeel dat de verzuimboeten terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Het Hof overweegt dat de boeten zijn opgelegd wegens het niet betalen van belasting die volgens de eigen aangiften had moeten worden voldaan. Bij een belasting die op aangifte moet worden voldaan, wordt met het doen van aangifte de belastingschuld geformaliseerd. Wordt de aangegeven belasting vervolgens niet binnen de geldende termijn voldaan, dan is sprake van een beboetbaar verzuim. Het Hof is van oordeel dat geen sprake is van een buitensporige en individuele last.

Anders dan de Rechtbank ziet het Hof geen aanleiding voor verdere matiging van de opgelegde verzuimboeten. De stelling van belanghebbende dat de boeten moeten worden gematigd vanwege het “repeterende karakter’’ ervan, wordt door het Hof verworpen. Er is voor elk tijdvak opnieuw sprake van een afzonderlijk (beboetbaar) betaalverzuim. Belanghebbende heeft telkens besloten de verschuldigde kansspelbelasting niet te voldoen, maar wel de aflossing en de rente op de lening van de bank te betalen.

Het Hof oordeelt dat, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, een boete van 2% van de niet betaalde kansspelbelasting niet disproportioneel is, ook niet als het ermee gemoeide totaalbedrag aan verzuimboeten in aanmerking wordt genomen. De verzuimboeten van 2% zijn ook passend en geboden.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juli 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6133

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:6133