Verzuimboetes wegens het 7 jaar lang niet doen van aangiften inkomstenbelasting

Belanghebbende heeft geen aangiften inkomstenbelasting gedaan voor de jaren 2008 tot en met 2015. De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen inkomstenbelasting en daarbij verzuimboetes opgelegd. In geschil in hoger beroep is of de inspecteur bij het vaststellen van de omstreden aanslagen en boetebeschikkingen heeft gehandeld in strijd met het recht.

Het Hof oordeelt dat – nu belanghebbende binnen de daartoe gestelde termijnen geen aangifte heeft gedaan –  de inspecteur bevoegd was de aanslagen ambtshalve vast te stellen. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Het is dan ook aan belanghebbende om op overtuigende wijze te tonen dat de bestreden uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Belanghebbende is in de op hem rustende bewijslast niet geslaagd. Over de jaren heeft hij geen enkel inkomensgegevens verschaft en de door hem in de beroepsfase alsnog door middel van een aangifte verstrekte gegevens zijn door de inspecteur gemotiveerd bestreden waartegenover belanghebbende niet heeft doen blijken dat zijn aangifte wel juist is.

Het Hof acht de boetes opgelegd wegens het niet nakomen van de aangifteverplichting passend en geboden. De inspecteur neemt terecht het standpunt in dat belanghebbende stelselmatig in verzuim is. Feiten of omstandigheden die het Hof aanleiding geven één of meer van de boetes (verder) te verminderen zijn niet aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende inhoudende dat in een geval als het onderhavige met een boete moet worden volstaan, is onjuist.

Het Hof vindt geen gronden voor het oordeel dat de inspecteur anderszins heeft gehandeld in strijd met enige door hem in acht te nemen regel van Nederlands, Europees of internationaal recht, en is bij de beoordeling van de onderhavige zaak niet gestuit op vragen van Europees recht die aanleiding zouden kunnen geven tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:83