Vrijspraak van BV van het doen van onjuiste aangiftes omzetbelasting en valsheid in geschrift: opzet niet bewezen

B.V. X wordt verdacht van het opzettelijk onjuist en/of onvolledig (laten) doen van aangiftes omzetbelasting. B.V. X handelde in koperafval. De vennootschap verrichtte als tussenhandelaar meerdere transacties waarbij deze koperafval inkocht bij Nederlandse bedrijven en deze goederen doorverkocht aan buitenlandse afnemers.

Het OM beschuldigt B.V. X ervan dat deze opzettelijk onjuiste kwartaalaangiftes omzetbelasting heeft laten indienen; er zou sprake zijn van btw-carrouselfraude. Dit is ten laste gelegd als primair het opzettelijk onjuist en/of onvolledig (laten) doen van belastingaangiftes en subsidiair het opmaken van valse geschriften (de belastingaangiftes).

Allereerst voert de verdediging aan dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de subsidiair ten laste gelegde valsheid in geschrift. Volgens de verdediging geldt art. 69 lid 4 AWR, waarin strafvervolging op grond van art. 225 lid 2 Sr is uitgesloten wanneer een verdachte ook vervolgd kan worden op basis van art. 69 lid 1 of 2 AWR. Volgens de verdediging moet artikel 69 lid 4 AWR ruim worden uitgelegd en zou ook vervolging op de voet van artikel 225 lid 1 Sr hierdoor moeten worden uitgesloten. De Rechtbank is echter van oordeel dat het OM ontvankelijk is in de vervolging, omdat uit het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2019 blijkt dat hij kennelijk van oordeel is dat de vervolgingsuitsluitingsgrond zich niet ook uitstrekt tot het art. 225 lid 1 Sr.

Wat betreft het primair ten laste gelegde acht het OM bewezen dat B.V. X ten onrechte het 0%-tarief voor intracommunautaire leveringen heeft opgevoerd in de belastingaangiftes. De verdediging stelt echter dat de vennootschap geen opzet heeft gehad op het betrokken raken bij btw-carrouselfraude.

De Rechtbank acht niet bewezen dat B.V. X opzettelijk onjuist en/of onvolledig kwartaalaangiftes omzetbelasting heeft laten indienen. De constatering van het OM dat ter zake van de transacties sprake is van kenmerken die kunnen wijzen op fraude elders in de keten, acht de Rechtbank onvoldoende om de vennootschap opzet op het doen van onjuiste belastingaangiftes te verwijten, ook niet indien ervan uit wordt gegaan dat (medewerkers van) verdachte wist(en) van de risico’s van btw-fraude bij intracommunautaire handel in koperafval. De Rechtbank acht ook het subsidiaire feit van valsheid in geschrift niet bewezen wegens ontbreken van opzet. De Rechtbank spreekt de verdachte daarom in zijn geheel vrij.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:2944