Accountantskamer maakt onderscheid tussen doorhaling in AFM-register en het Nba-register

Betrokkenen zijn accountants en ingeschreven in het accountantsregister. Daarnaast waren zij ten tijde van de hierna te vermelden toetsing en hertoetsing, als dagelijks beleidsbepaler verbonden aan een accountantsorganisatie. Deze accountantsorganisatie beschikte over een vergunning bedoeld in artikel 5 Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) voor het verrichten van wettelijke controles.

Na een controle en hertoetsing is vastgesteld dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantspraktijk van betrokkenen in opzet en werking, niet voldeet aan het bepaalde bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep (Wab). Hierover heeft de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) een klacht ingediend.

De Accountantskamer stelt vast, op basis van de hertoesting, dat er sprake was van meerdere tekortkomingen. Zo werden de fundamentele beginselen alleen bij de opdrachtaanvaarding in aanmerking genomen en niet altijd periodiek daarna, alsook bij de opdrachtcontinuering (her)overwogen. Verder is geconstateerd dat het kwaliteitshandboek in hoge mate een standaard is, die niet overeenkomt met de feitelijke werkwijzen binnen de organisatie. Verder was er ook geen jaarlijkse evaluatie van de werking van het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing en ontbrak een selectiesysteem waarbinnen risicodossiers binnen de organisatie onder de aandacht worden gebracht.

Tevens ontbrak ook een centrale registratie met betrekking tot de permanente educatieverplichting van ingeleende werknemers die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van een controleopdracht en was geen stelsel aanwezig waaruit per externe accountant duidelijk werd of deze voldeed aan de eisen. Op grond van deze en andere overtredingen is de Accountantskamer van oordeel dat aannemelijk is geworden dat betrokkenen hebben gehandeld in strijd met de voorschriften uit de NVCOS en de VGBA, alsmede met wettelijke bepalingen (zoals de wet toezicht accountantsorganisaties).

Gezien de ernst van de overtredingen van betrokkenen ligt, volgens de Accountantskamer, doorhaling in het accountantsregister voor de hand. De geconstateerde tekortkomingen hebben volgens de Accountantskamer echter alleen betrekking op de kwaliteitseisen voor de wettelijke controleplicht en niet op de eisen voor de niet-wettelijke controleopdrachten. Volgens de accountantskamer is er geen reden om te twijfelen aan het functioneren van betrokkenen op het terrein van de non-assurance. De Accountantskamer overweegt dat de wetsgeschiedenis niet blijkt dat de wetgever zich heeft gerealiseerd dat er mogelijk redenen zijn om een onderscheid te maken tussen doorhaling in het AFM-register en doorhaling in het Nba-register. De Accountantskamer acht een dergelijk onderscheid niet in strijd met enige wettelijke bepaling en stelt dat deze leidt tot een rechtvaardiger resultaat in de rechtspraak.

De Accountantskamer is van oordeel dat, gezien de aard en de ernst van de overtredingen, aan beide betrokkenen de maatregel van doorhaling in het AFM-register moet worden opgelegd voor de duur van 18 maanden. De AFM en de Nba dienen deze maatregel ieder in de door hen gehouden registers op te nemen op een dusdanige wijze dat kenbaar is dat de doorhaling alleen het AFM-register betreft.

De Accountantskamer 21 juli 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:46

https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:TACAKN:2017:46