BFT verwijt belastingadviseur ten onrechte dat zij de verplichtingen uit de Wwft niet is nagekomen

In 2015 heeft het BFT bij een belastingadviseur onderzoek gedaan naar de naleving van de ingevolgde de Wwft geldende verplichtingen. Het BFT concludeert aan de hand van het onderzoek dat de adviseur geen onderzoek heeft gedaan naar de herkomst van een in de jaarrekening 2014 van een autorijschool opgenomen langlopende schuld van € 9.000. Daarmee heeft appellante volgens het BFT onvoldoende invulling gegeven aan het cliëntenonderzoek.

Verder stelt het BFT dat de adviseur ten onrechte geen melding heeft gemaakt van een contante betaling van € 1.250 verricht door deze cliënt aan een derde. Daarmee heeft zij volgens het BFT ook de verplichting geschonden van artikel 16 Wwft. Het door de adviseur ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

In hoger beroep is het College echter van oordeel dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de adviseur zou hebben nagelaten om de herkomst van het bedrag van € 9.000 te onderzoeken. De adviseur heeft consistent verklaard dat zij de herkomst van dit bedrag heeft onderzocht bij de acceptatie van het bedrijf als cliënt.

Ter zitting van het College heeft de adviseur toegelicht dat zij gedurende het onderzoek van het BFT niet direct kon beschikken over de informatie waaruit bleek dat zij onderzoek had gedaan naar de herkomst van het bedrag van € 9.000. Hierdoor kon zij het BFT in eerste instantie geen duidelijkheid verschaffen over de herkomst van dit bedrag. Het College ziet onvoldoende reden voor twijfel aan de juistheid van deze met stukken onderbouwde verklaringen. Gelet hierop bestond naar het oordeel van het College geen aanleiding om de herkomst van het bedrag nogmaals te onderzoeken in 2014. Dat boekhoudkundig alternatieve oplossingen denkbaar waren geweest is onvoldoende voor een andere conclusie. Van een overtreding van het cliëntenonderzoek c.q. monitoringsverplichting is geen sprake.

Voorts acht het College de verklaring van de adviseur dat de contante betaling van € 1.250 verband houdt met de betaling van lesgeld, niet onaannemelijk. Uit een overgelegd overzicht blijkt dat de verrichte betaling betrekking heeft op een door een andere rijschool gedane examenaanvraag. Daarbij is van belang dat uit de stukken naar voren komt dat een constructie waarbij rijscholen die niet bevoegd zijn om voor hun leerlingen rijexamens aan te vragen, samenwerken met rijscholen die daartoe wel bevoegd zijn niet ongebruikelijk is. De door de adviseur gegeven verklaring dat haar cliënt deze betaling vanwege onnauwkeurig administreren op een later moment heeft geadministreerd dan de rijschool van wie dit geld afkomstig is, acht het College evenmin onaannemelijk. Het College acht de herkomst van de betreffende betaling voldoende duidelijk, zodat deze betaling niet had hoeven te worden gemeld aan het FIU. Van een schending van artikel 16 Wwft is geen sprake.

Het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de Rechtbank is daarmee gegrond. Het College veroordeelt het BFT in de proceskosten en stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op totaal € 2.560.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 5 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:58

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:58