Boete van € 40.000 voor het te laat doen van een melding ongebruikelijke transactie

DNB heeft in 2015 aan een trustmaatschappij [eiseres] een boete opgelegd van € 40.000 wegens het niet onverwijld melden van een ongebruikelijke transactie (art. 16, lid 1 Wwft). Eiseres verleende trustdiensten aan cliënt A. A is eigenaar van onroerend goed in Oekraïne ter waarde van ongeveer USD 10.000.000. Een persoon met de Oekraïense nationaliteit, persoon C, is middels B, een rechtspersoon naar het recht van de Republiek der Seychellen, tot 15 juli 2013, de UBO van de structuur. De advocaat van A heeft in december 2013 eiseres laten weten dat de aandelen in B om niet zijn overgedragen aan een derde partij D. Eiseres heeft naar aanleiding hiervan tijdens een bespreking op 10 februari 2014 nadere vragen gesteld aan A en heeft D aangemerkt als UBO van A.

In april 2014 heeft eiseres een melding gedaan bij de FIU van diverse transacties van A waarbij ook de overgang van aandelen naar D zijn gemeld. DNB heeft gesteld dat eiseres in december 2013 voldoende informatie beschikte om te veronderstellen dat de transactie met betrekking tot de overdracht van aandelen verband zou kunnen houden met witwassen of de financiering van terrorisme en aldus binnen veertien dagen had moeten worden gemeld door eiseres. Door dit niet te doen heeft eiseres volgens DNB art. 16, lid 1, Wwft overtreden.

Eiseres stelt daartegenover dat DNB de wijziging van de UBO ten onrechte heeft aangemerkt als een ‘transactie’ in de zin van art. 1, lid 1 aanhef en onder m van de Wwft. De transactie zou niet ‘ten behoeve’ van A zijn verricht.

De Rechtbank oordeelt dat het begrip ‘transactie’ zoals gedefinieerd in dit artikel, in het licht van de derde Witwasrichtlijn ruim moet worden uitgelegd omdat de meldingsplicht volgens de richtlijn betrekking heeft op alle gevallen waarin de instelling weet, vermoedt of goede reden heeft om te vermoeden dat er geld wordt witgewassen of terrorisme wordt gefinancierd. De meldplicht ziet op de transacties waarmee zij is geconfronteerd in het kader van haar dienstverlening binnen de reikwijdte van de onderhavige wet. Dat betekent dat er niet alleen sprake is van een transactie bij een handeling ten behoeve van een cliënt als deze op initiatief van een cliënt plaatsvindt of als deze cliënt daarvan profiteert. Er is ook sprake van een transactie als de cliënt op andere wijze bij deze handeling betrokken is.

Eiseres stelt tevergeefs dat onderhavige transactie niet ten behoeve van A is verricht. Door de wijziging van UBO is de doelstelling van A wezenlijk gewijzigd, omdat zij de portefeuille vastgoed voor een ander is gaan houden. A is daarom daadwerkelijk betrokken bij de overdracht van alle aandelen in B. De aandelentransactie in B is om die reden mede een transactie ten behoeve van A. Dat A de overdracht van de aandelen niet heeft geïnitieerd, daartoe geen opdracht heeft gegeven en het niet in haar macht lag de overdracht tegen te houden en dat de certificaten niet rechtstreeks door de UBO werden gehouden, maakt dit, gezien de samenhang tussen betrokkenen, volgens de Rechtbank niet anders. Zeker indien er sprake is van een structuur met meerdere gelieerde rechtspersonen in verschillende jurisdicties, is van groot belang dat er zicht blijft op handelingen die mogelijk kunnen leiden tot witwassen of het financieren van terrorisme.

Gelet hierop legt de Rechtbank het eerste ‘ten behoeve van’ in art. 1, aanhef en onder m, van de Wwft uit als ‘door of voor’. Bij deze uitleg is niet vereist dat de transactie nuttig of gunstig is of lijkt voor de cliënt ofwel in haar belang is. De door eiseres voorgestane wetsuitleg zou tot gevolg hebben dat transacties door derden die niet in het belang van de rechtspersoon zijn of lijken, hoe ongebruikelijk ook, niet gemeld hoeven te worden, waarmee ernstig afbreuk wordt gedaan aan het beoogde nuttig effect van de Wwft en de derde Witwasrichtlijn.

Met DNB is de Rechtbank van oordeel dat eiseres het ongebruikelijke karakter van de transactie al op 25 december 2013 had moeten onderkennen en deze transactie op dat moment onverwijld had moeten melden. Dat eiseres zich jegens haar cliënten moet houden aan een civielrechtelijke geheimhoudingsplicht en niet lichtvaardig tot een melding mag overgaan, maakt dat niet anders. Dat zij de melding van 25 april 2014 naar gesteld uit eigen beweging heeft gedaan, nadat haar nadere feiten over transacties van A met derden ter ore waren gekomen, laat deze conclusie onverlet.

Gelet op de aard van de transactie en het risico dat bij doorverkoop de transactiestromen voor FIU niet meer te achterhalen zouden zijn, kon nader onderzoek niet bijdragen aan de conclusie over het ongebruikelijke karakter hiervan.

De beroepsgrond dat eiseres had moeten afzien van boete slaagt evenmin, nu niet aannemelijk is geworden dat eiseres geen enkel verwijt treft. Volgens de Rechtbank heeft DNB terecht geen aanleiding gezien de boete te verlagen wegens verminderde ernst of verwijtbaarheid. Dat eiseres niet de intentie had de wet te overtreden, maakt de overtreding niet minder verwijtbaar. Het boetebedrag van € 500.000 is door DNB reeds gematigd tot € 40.000 wegens de omvang van de overtreding. Daarbij heeft DNB ook rekening gehouden met het (blanco) track record van eiseres.

Ter zitting is nog door de Rechtbank aan de orde gesteld dat mogelijk sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Eiseres heeft in reactie daarop verklaard dat het haar niet te doen is om matiging van de boete als gevolg van een eventuele termijnoverschrijding. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het ambtshalve oordeel dat de boete moet worden verlaagd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Rechtbank Rotterdam 17 januari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:307

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2017:307