Brief aan de kamer over de rechtsbescherming van accountants(organisaties)

“Op basis van het voorgaande constateer ik dat er ten aanzien van de formele rechtsbeschermingsmogelijkheden van accountants(organisaties) op dit moment geen lacunes bestaan.”

Zo luidt de conclusie van Minister Dijssebloem in zijn brief aan de Kamer van 31 januari 2017. De aanleiding was een verzoek van de Kamer om meer informatie tijdens het wetgevingsoverleg van 20 juni 2016 over de Implementatiewet wijzigingsrichtlijn en Verordening wettelijk accountants en accountantsorganisaties in Nederland. Een belangrijk punt voor de Kamer was de wijze van rechterlijke toetsing van besluiten van de AFM en de wijze waarop de bescherming van accountants en accountantsorganisaties in andere landen en sectoren is geregeld.

De minister schetst allereerst het wettelijk kader van de rechtsbescherming van accountants en accountantsorganisaties. Hierbij passeren onder meer de bepalingen uit de Awb, de Wta, alsook de Wtra de revue.

In zijn vergelijking met het buitenland gaat de minister dieper in op de situatie in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland. Hij concludeert dat op verschillende onderdelen de rechtsbescherming in die landen overeenkomt met die in Nederland. Ten aanzien van andere sectoren merkt de minister op dat de toezichthouder AFM geen regelgevende bevoegdheid heeft, anders bijvoorbeeld de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).

De minister stelt vast dat de rechtsbescherming, in vergelijking met andere landen en sectoren, “formeel evenwichtig” is vormgegeven, maar dat een gebrek aan jurisprudentie soms nog wat onzekerheid schept. Het (mindere) aantal handhavingsbesluiten en rechterlijk uitspraken hangt, zo stelt de minister, onder meer samen met de wijze waarop de AFM haar bevoegdheden invult. Deze maakt vaak gebruik van informele handhavingsinstrumenten zoals normoverdragende gesprekken. Verder merkt de minister op dat accountantsorganisaties niet altijd kiezen voor een formele procedure. Dit kan onder meer zijn ingegeven door de wens van accountants om een goed verstandhouding te behouden met de toezichthouder, alsook dat zij reputatieschade willen voorkomen.

De minister refereert nog aan een mogelijke wijziging in de bezwaarprocedure: men zou een meer onafhankelijke commissie kunnen betrekken bij de procedure die ook advies geeft. De minister vindt dit vooralsnog niet nodig, en verwijst naar de Commissie Ottow, die constateerde dat niet is aangetoond dat een dergelijk systeem tot meer bezwaarprocedures zou leiden. Evenwel lijkt de minister de deur op een kier te houden: mits rechtsontwikkeling in de komende periode achterblijft zou men wellicht kunnen overwegen de bezwaarprocedure aan te passen.

Resumerend stelt de minister dat er op dit moment geen leemtes zijn in de rechtsbeschermingsmogelijkheden van accountants(organisaties). Verder geeft hij aan dat de AFM en de NBA “een rol vervullen bij het verduidelijken van (open, red.) normen door daarover met elkaar het gesprek aan te gaan en de uitkomst van hun dialoog te delen met de sector.” Tot slot zal de rechtsbescherming worden versterkt met het Wetsvoorstel transparant toezicht financiële markten.

Brief Tweede Kamer 31 januari 2017, rechtsbescherming accountants en accountantsorganisaties, met kenmerk 2016-0000105857

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2017/01/31/kamerbrief-rechtsbescherming-accountants-en-accountantsorganisaties