De ING bank had ongebruikelijke transacties bij fraude niet hoeven signaleren, geen schadeplichtigheid

Nichten en neven van erflaatster [de Erven] vorderen bij de geschillencommissie Financiële Dienstverlening dat de ING bank wordt veroordeeld tot vergoeding van de geleden schade als gevolg van ongebruikelijke transacties die door de bank niet zijn gemeld. De inmiddels overleden erflaatster had een rekening bij de bank waartoe haar zaakwaarnemer toegang had. In een periode van drie jaar zijn er grote bedragen van bijna € 550.000 afgeschreven en overgeboekt naar een bankrekening van de zaakwaarnemer en buitenlandse handelsplatformen.

De Erven stellen dat de bank haar zorgplicht jegens erflaatster heeft geschonden, omdat de bank – kort gezegd – de ongebruikelijke transacties had moeten opmerken en erflaatster daarvoor had moeten beschermen. Daarnaast zou op de bank een actieve inspanningsverplichting rusten alsook de verplichting om te waarschuwen tegen de ongebruikelijke transacties.

De bank verweert zich met de stelling dat erflaatster – gelet op de bankvoorwaarden – verplicht was eens per twee weken haar bankrekening te controleren en dat het ondenkbaar is dat zij vier jaar niet naar haar rekening heeft omgekeken. Nu zij nimmer een melding heeft gemaakt van de onbevoegde transacties, bewust een zaakwaarnemer heeft gekozen en bij de notaris is geweest voor een volmacht, behoefde de bank er niet aan te twijfelen dat alle transacties met haar toestemming zijn gedaan.

De Commissie oordeelt dat de beweerdelijk ongebruikelijke transacties door de zaakwaarnemer zijn gedaan en wel zonder de bevoegdheid om van de hem kennelijk door erflaatster ter beschikking gestelde gegevens gebruik te maken. Daarbij is het aannemelijk dat de zaakwaarnemer heeft gefraudeerd, terwijl erflaatster hiervan niet op de hoogte was. De Commissie oordeelt voorts dat erflaatster grof onzorgvuldig in de zin van artikel 7:524 jo 7:529 lid 2 BWheeft gehandeld door carte blanche te geven voor de handelingen van de zaakwaarnemer, meer in het bijzonder door haar vertrouwelijke bankgegevens aan hem te verstrekken. Dat erflaatster het slachtoffer is geworden van deze frauduleuze handelingen van haar zaakwaarnemer betreurt de Commissie ten zeerste, maar kan in het onderhavige geval niet tot enige schadeplichtigheid van de bank leiden.

Daarnaast was er voor de bank geen reden om fraude te vermoeden door bijvoorbeeld het patroon van de afschrijvingen en overboekingen. Naar het oordeel van de Commissie gaat de zorgplicht van de bank niet zo ver dat zij een signaleringsplicht heeft met betrekking tot (afwijkende) mutaties van het banksaldo van haar klanten, zeker niet als, zoals in dit geval, de rekeninghouder op geen enkel moment protesteert tegen de beweerdelijk onbevoegd verrichte overschrijvingen. De Commissie wijst de vordering van de Erven af.

Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, 2016-563

https://www.kifid.nl/fileupload/jurisprudentie/GeschillenCommissie/2016/uitspraak_2016-563__bindend_.pdf