Doorhaling voor accountant wegens handelen in strijd met meerdere fundamentele beginselen

Betrokkene is als accountant-administratieconsulent verbonden aan een accountantskantoor. Klager exploiteert sinds 2009 in maatschapsverband een melkveebedrijf waarvan klager en – onder meer – zijn vader maat zijn. Deze maatschap is sinds 2011 klant bij het kantoor. In het najaar van 2015 is ruzie ontstaan tussen klager en vader.

Klager verwijt betrokkene dat hij niet de vereiste objectiviteit en onpartijdigheid in acht heeft genomen omdat hij als accountant van de maatschap alleen de belangen van vader heeft behartigd. Daarnaast wordt betrokkene verweten onzorgvuldig en niet integer te hebben gehandeld.

De Accountantskamer overweegt dat het voor betrokkene, die op de hoogte was van het conflict tussen vader en klager, duidelijk moet zijn geweest dat de belangen van klager tegengesteld waren aan die van vader. Daarmee was sprake van een mogelijke bedreiging voor het zich houden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit vanwege mogelijke belangenverstrengeling. Ook toen vader hem verzocht om in het kader van de uittreding van klager een benadering van de vermogenspositie van klager te geven, had hij daarin een bedreiging moeten zien voor het zich houden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit. Betrokkene had in zijn hoedanigheid van accountant van de maatschap deze bedreiging moeten identificeren en de bedreiging, zijn beoordeling, de toegepaste maatregel en zijn conclusie moeten vastleggen. Betrokkene heeft op de zitting desgevraagd bevestigd dat hij deze bedreiging niet heeft onderkend en dat hij evenmin de op grond van de VGBA vereiste afwegingen heeft gemaakt. Daarmee heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Verder geeft de Accountantskamer aan dat betrokkene op de hoogte was van de discussie over het moment van uittreden van klager, waardoor hij niet zonder meer kon uitgaan van de door vader niet onderbouwde mededeling dat klager de maatschap per 1 januari 2016 had verlaten. Betrokkene heeft desondanks niet geverifieerd of klager daadwerkelijk per 1 januari 2016 uit de maatschap was getreden. Ook daarom heeft betrokkene de fundamentele beginselen van objectiviteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Voorts lag het volgens de Accountantskamer op de weg van betrokkene om een maatregel te nemen ten einde de onjuistheden in de jaarrekening 2016 weg te nemen toen hij daarmee – naar eigen zeggen in mei 2018 – bekend raakte. Betrokkene heeft evenwel geen verklaring – met daarin de mededeling dat in de jaarrekening is uitgegaan van de veronderstelling dat klager uit de maatschap was getreden – verstuurd aan de beoogde gebruikers van die jaarrekening. Daarmee heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer het fundamentele beginsel van integriteit geschonden.

Met betrekking tot de door betrokkene gemaakte berekening van de vermogenspositie van klager stelt de Accountantskamer vast dat de opdracht hiertoe mondeling door vader is gegeven en deze opdracht door betrokkene niet schriftelijk is bevestigd. Daarnaast heeft betrokkene het doel van de berekening niet opgenomen in zijn e-mail en heeft hij ook niets vermeld over de verspreiding van deze berekening. De Accountantskamer komt dan ook tot het oordeel dat betrokkene het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft geschonden.

Bij het opstellen van de genoemde berekening heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer tevens het fundamentele beginsel van objectiviteit geschonden. Betrokkene is daarbij namelijk uitgegaan van grond in verpachte staat en van een voorbehoud van vader ten aanzien van de stille reserves, wat in deze berekening leidde tot een lagere vermogenspositie van klager. Hierdoor heeft betrokkene hoofdzakelijk oog gehad voor de belangen van vader, aldus de Accountantskamer.

In deze klachtzaak acht de Accountantskamer de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van twee weken passend en geboden. De Accountantskamer heeft in haar oordeel betrokken dat betrokkene in strijd met drie fundamentele beginselen heeft gehandeld en dat betrokkene op de zitting geen blijk heeft gegeven van inzicht in deze beginselen en de bedreigingen daarvan en dat hij evenmin blijk heeft gegeven van besef dat de fundamentele beginselen leidend moeten zijn voor de uitoefening van zijn beroep.

De Accountantskamer 16 december 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:85.

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_85