Doorhaling voor accountant wegens onredelijke succes fee

Namens klager is een melding vrijwillige verbetering van verzwegen (buitenlandse) inkomsten en/of vermogen gedaan bij de Belastingdienst. In overleg met zijn belastingadviseur is klager met betrokkene – een accountant-administratieconsulent – overeengekomen dat betrokkene hem zou vertegenwoordigen tegenover de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft vervolgens door middel van een vaststellingsovereenkomst klager een aanslag opgelegd van € 40.660.

Met betrekking tot werkzaamheden van betrokkene is naast een uurtarief een succes fee overeengekomen. Naar aanleiding van de verrichtte werkzaamheden heeft het accountantskantoor van betrokkene een declaratie voor de succes fee aan klager gestuurd ten bedrage van bijna € 49.248,21. Omdat klager de declaratie niet heeft betaald, heeft het accountantskantoor klager gedagvaard. Vervolgens heeft het accountantskantoor ook de betaling van een aanvullende succes fee van € 26.048,88 gevorderd.

Klager heeft op zijn beurt bij de Accountantskamer een klacht tegen betrokkene ingediend. Aan de klacht ligt het verwijt ten grondslag dat betrokkene met klager onder een valse voorstelling van zaken een resultaat afhankelijke beloning is overeengekomen.

De Accountantskamer overweegt dat betrokkene door de overeengekomen succes fee ook zelf een belang heeft gekregen bij de uitkomst van zijn werkzaamheden. Het is de Accountantskamer niet gebleken dat betrokkene zich dit heeft gerealiseerd. Weliswaar heeft de belastingadviseur van klager bij de aangifte op de achtergrond meegekeken, maar dit kan niet als een afdoende maatregel om de bedreiging tegen te gaan worden beschouwd. Deze maatregel is bovendien niet vastgelegd. De Accountantskamer is dan ook van oordeel dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

Daarnaast heeft betrokkene nagelaten om vóór het overeenkomen van de succes fee met voldoende diepgang de hoogte en herkomst van het aan te geven vermogen te onderzoeken en een reële inschatting te maken van de kansen op een lage naheffing zonder boete respectievelijk de risico’s op een hoge naheffing met boete. Daardoor kan niet objectief worden vastgesteld in welke gevallen sprake is van een “succes” als gevolg van de werkzaamheden van betrokkene.

Verder rekent de Accountantskamer betrokkene aan dat hij klager bij het overeenkomen van de succes fee heeft voorgehouden dat er een reële kans bestond dat een op box 1 gebaseerde aanslag zou worden opgelegd, terwijl er geen aanknopingspunten voor het doen van een aangifte in box 1 waren gebleken. Voor de bepaling van de hoogte van de succes fee is daarmee uitgegaan van een zeer negatief scenario. Daarmee heeft betrokkene impliciet als aanvaardbaar beschouwd dat hij excessief zou declareren, terwijl hijzelf geen enkel financieel risico liep. Aldus heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer niet eerlijk en oprecht gehandeld en misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen, wat schending van het fundamenteel beginsel van integriteit oplevert.

Al het voorgaande brengt de Accountantskamer tot de slotsom dat in deze klachtzaak de maatregel van tijdelijke doorhaling in de registers passend en geboden is en wel voor de duur van één maand. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat betrokkene in strijd met meerdere fundamentele beginselen heeft gehandeld en dat betrokkene op de zitting geen blijk heeft gegeven van inzicht in zijn handelen, in deze beginselen en de bedreigingen daarvan.

De Accountantskamer 13 september 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:63.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2019/ECLI_NL_TACAKN_2019_63?dateperiodstart=01-09-2019&dateperiodend=03-10-2019&dateperiod=tussen&DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=6