Eerste Kamer behandelt wetsvoorstel UBO-register

De Eerste Kamer behandelt momenteel het wetsvoorstel UBO-register. Op 4 februari 2020 is het Voorlopig Verslag van de Vaste Commissie voor Financiën vastgesteld met enkele voor de praktijk relevante vragen en opmerkingen van de diverse Senaatsfracties.

Gevolgen voor Wwft-instellingen

Vanuit de VVD-fractie is aandacht gevraagd voor de administratieve lasten bij Wwft-instellingen. De extra verplichtingen als gevolg van het UBO-register betreft immers niet alleen tijd van administratief personeel maar ook van hoger personeel, en deze tijd is veelal niet declarabel.

De verplichtingen in het wetsvoorstel UBO-register kunnen zowel bestuurlijk als strafrechtelijk worden gehandhaafd. Dat geldt ook voor de Wwft-instelling die geen melding doet van een discrepantie tussen de eigen cliëntcontrole-gegevens en de gegevens in het UBO-register (de ‘terugmeldverplichting’). De Eerste Kamer vraagt om meer inzicht in hoe de handhaving zal worden vormgegeven en welke boetes zullen gelden. Ook wordt aan de minister gevraagd hoe in de eerste 18 maanden wordt omgegaan met de terugmeldverplichting als een rechtspersoon nog niet geregistreerd is. Moet de Wwft-instelling dan toch een terugmelding doen of hoeft dat pas als er wel gegevens zijn geregistreerd maar deze afwijken van wat de Wwft-instelling zelf aan gegevens heeft?

Praktische onduidelijkheden

Op een aantal punten constateert de Eerste Kamer onduidelijkheid ten aanzien van de vraag wie UBO is. Dat betreft bijvoorbeeld houders van cumulatief preferente aandelen: zijn zij UBO indien het cumulatief preferente dividend in een bepaald jaar meer dan 25% van de totale winst uitmaakt? Ook ontvangers van donaties van stichtingen kunnen bij hoge eenmalige schenkingen UBO zijn indien een stichting in een jaar relatief weinig geld beschikbaar heeft voor donaties en meer dan 25% daarvan bij één persoon terecht komt. De Eerste Kamer vraagt of dit wel de bedoeling is.

Het wetsvoorstel bevat daarnaast een verplichting voor stichtingen om uitkeringen van minder dan 25% bij te houden in een intern register. De CDA-fractie in de Eerste Kamer vraagt zich af wat dit betekent voor hulporganisaties die vele kleine giften in natura (dekens, voedsel) uitdelen. Moet dat allemaal worden geregistreerd? En verder wil de CDA-fractie graag een waarborg dat de informatie die bevoegde autoriteiten uit dit interne register halen niet wordt gedeeld met ‘onvrije landen’ of landen waar ontvangen gelden opgeëist zouden kunnen worden door overheden of ambtenaren.

Overgangsrecht

Tot slot heeft de Eerste Kamer vragen over de toepassing van het overgangsrecht. In beginsel moeten reeds bestaande instellingen binnen 18 maanden hun UBO-registratie bij het handelsregister op orde hebben. Maar wat nu als er in die 18 maanden een nieuwe UBO komt? Moet die dan wel onmiddellijk geregistreerd worden of moet de instelling als geheel gewoon aan het einde van de 18 maanden goed geregistreerd zijn? Verder geldt het UBO-register voor in Nederland opgerichte vennootschappen, maar tijdens de behandeling in de Tweede Kamer heeft de minister gezegd dat een vanuit het buitenland naar Nederland verplaatste rechtspersoon zich wel in het UBO-register moet registreren. De Eerste Kamer vraagt hoe zij deze opmerking van de ministerie moeten duiden.

De minister van financiën zal hier de gestelde vragen naar verwachting binnenkort beantwoorden, temeer nu Nederland al te laat is met de implementatie; deze had op grond van de EU-anti-witwasrichtlijn al op 10 januari 2020 rond moeten zijn.